Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

191

JAARTAL 1899

martelaren met luider stemme uit: Hoe lang, o heilige en waarachtige Heerscher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet van degenen die op aarde wonen? Onder die martelaren zijn óók uwe martelaren van Armenië, die hunne stemmen verheffen in koor met de martelaren uit het verledene.

Aan Ood dan de wrake, aan ons het gebed, ook voor onze beulen, alleenlijk in dit uw geval zonder de bijvoeging: „Zij hebben niet geweten wat zij gedaan hebben"; want de hoofddaders althans hebben het voorzeker geweten; en wat zij deden, hebben zij uit vrijen wil gedaan. Dat uw volk dan noch zijn geduld, noch zijn moed verIieze! Achtereenvolgens heeft voor de Grieken, de Montenegrijnen, de Serviërs en de Bulgaren het uur der bevrijding geslagen. Het zal ook slaan voor de uwen, al zij het misschien dat uwe oogen zich zullen sluiten, zonder het licht der vrijheid te hebben gezien. En als uw volk wachtend zijn troost wenscht te zoeken in het smartelijk mededoogen van andere natiën, geeft dan uwen broeders door middel van uw blad de verzekering der ontwijfelbare sympathie van gansch het Nederlandsche volk. (Daverende toejuichingen).

Met een J'accuse van Zola beschuldigen wij allen de barbaren, die de aarde gedrenkt hebben met uw bloed; wij klagen de verantwoordelijke mannen aan, die voortgaan met u de knie op de borst te zetten; wij klagen eene diplomatie aan, zonder hart en zonder beginsel (applaus), die u heeft opgeofferd aan haar eindeloozen naijver.

Christenen of humanisten, heel een Westersch volk draagt u op, een volk in het Oosten, dat gij zoo waardiglijk vertegenwoordigt, zijn bewondering over te brengen, zijn deelneming in uwe smarten, zijn gebed voor uwe toekomstige bevrijding. Gij hebt een beroep gedaan op ons volk, dat beroep gaat ons tot het hart. Gij hebt onze Koningin gehuldigd. O, ik begrijp, wat het voor u zou zijn, tot uwe wettige souvereine een Koningin te hebben als de onze (Stormachtige bijvalsbetuigingen). Het zou voor u zijn, als uit de hel in het paradijs. Wees verzekerd, dat uwe landgenooten geweest zijn, nog zijn en altoos zullen zijn, het voorwerp onzer beste wenschen. Tchéraz, onze hulde aan de nagedachtenis uwer matelarenl Onze eerbiedige groet aan uw gemarteld volkl Ik eindig met den uitroep: Leve Armenië I"

Nogmaals barstte de vergadering in hartelijke sympathie-betuigingen los. „Vive 1'arménië!" klonk het achter in de zaal, er scheen geen einde te zullen komen aan het daverend gejuich.

Na nog een enkel woord van Dr Kuyper, die er op wees, dat er niet gecollecteerd zou worden voor Armenië, de heer Tchéraz vroeg enkel sympathie, ging de vergadering uiteen en hiermede behoorde deze schoone avond weder tot het verleden.

Zie verder: Dr. A. Kuyper, Parlementaire Redevoeringen, Deel I Kameradviezen, blz. 389-^396. Mr. Dr. J. A. A. H. de Beaufort, Vijftig jaren uit ome Geschiedenis, Deel t, blz. 214—216. De Standaard van 7 Juni en 24 November 1899.

Sluiten