Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

193

JAARTAL 1899

Als proeve nemen we hier de eerste meditatie over:

„IN DEN BEGINNE".

(Het nieuwe huishouden).

In den beginne schiep God den hemel en de aarde. Gen. 1:1.

Reeds in het eerste woord, waarmeê de Heilige Schrift opent, schuilt veel dieper beteekenis dan de vluchtige lezer denkt. Immers dat plechtige: „In den beginne", zegt u niet alleen, dat de wereld er eerst niet was, en dat ze er daarna, doordien God haar schiep, kwam; maar er ligt ook in, dat God een begin gemaakt heeft, en hierdoor in heel zijn schepping het onderscheid tusschen het begin van eene zaak en haar verder verloop gesteld heeft.

En nu is óns dat onderscheid wel gemeenzaam, en verstaan we zeer wel, dat iemands geboorte iets anders is dan zijn verder leven, dat na de geboorte komt; en evenzoo dat iemands bekeering iets anders is dan zijn daarop volgend leven in geloof en heiligmaking. Voor ons ligt dit onderscheid tusschen het beginsel en het verder verloop eener zaak, zoo klaar als de dag, op heel ons pad geteekend. Maar toch neemt dit niet weg, dat ook dit diep ingaand en heel ons leven beheerschend onderscheid er niet vanzelf is gekomen, maar door God is ingesteld, en dat er daarom zooveel meer inzit, dan wij gemeenlijk denken.

Immers is dit opmerkelijk feit, dat alle ding op aarde niet slechts zijn verloop maar ook zijn begin heeft, derwijs gewichtig, dat de wijzen der wereld er sinds alle eeuwen op uit waren, om te betoogen, dat de wereld geen begin heeft gehad. Ja, derwijs gewichtig dat, voor wie dieper ziet, al het verschil tusschen de wijsheid der wereld en de Heilige Schrift eigenlijk op dit ééne punt neerkomt, dat de Heilige Schrift ons altoos weer op dat begin wijst, op dat begin allen nadruk legt, en uit dat begin alle verdere verloop afleidt, terwijl omgekeerd de wijsheid der wereld er steeds op bedacht is, om dat begin uit te wisschen, te niet te doen en te loochenen, om de teugen te proclameeren, dat de wereld er altoos geweest is en eeuwig is als God.

Als ge een graankorrel in uw hand neemt, dan zit in die kleine korrel het vermogen in, om zich tot halm te ontwikkelen en de korenaar voort te brengen. Maar zoolang ge die zaadkorrel in uw hand houdt, komt er niets van. Eerst als ge die korrel in de opgeploegde aarde laat vallen en met aarde overdekt, vangt de werking aan. Gij zelf stelt dan door de graankorrel in de aarde te werpen het begin van zijn ontwikkeling. Doet ge dit niet, maar laat ge die korrel op uw tafel liggen, zoo zou er geen begin zijn. Dat begin komt dus eerst tot stand, doordat ge aan die korrel iets doet, wat slechts ééns gebeurt, en daarmee uit is. Maar is dat begin eenmaal tot stand gekomen, dan volgt het verder verloop vanzelf.

Jezus heeft ons dit zoo sprekend in de gelijkenis van Markus 4 : 26 v.v. geteekend, toen hij sprak van dien mensch, „die eerst zaad

Kuyper BtbU 13

Sluiten