Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1899

200

hypothese der Evolutie is op dien grond voor de Aesthetiek de dood. Op Ethisch terrein gaat ze evenzeer feil. Ze kan krachtens haar monisme geen ziel erkennen, noch onsterfelijkheid van den persoon, noch een ideale norma, die de ethische ontwikkeling te volgen heeft. Hoogstens kan ze door haar altruïsme in kleinen intelligenten kring een soort vermomd en verfijnd egoïsme kweeken, maar de menschheid ethisch ontwikkelen kan ze niet. En even onvoorwaardelijk is het vonnis, dat van religieus standpunt over haar moet worden uitgesproken. De monistische mechaniek kan het bestaan van een zelfstandig God niet erkennen. Geest toch bestaat niet anders dan als eene aan de materie gebondene energie. Eischt nu alle religie een ziel die aanbidt en een God die aangebeden wordt, en vernietigt de Evolutie niet alleen de ziel als subject, maar ook God, als object der aanbidding, dan kan ook van Religie op haar standpunt niet dan door een spel van woorden sprake zijn. Haeckel noemt „die Summe aller Atomschwingungen", zijn God, en neemt alzoo het begrip Religie in een zin, waarin niemand dat ooit verstaan heeft. Hiermede is natuurlijk niet gezegd, dat de Religie als zoodanig de mogelijkheid niet zou toegeven, dat gelijk Dubois Raymond aanneemt, God door één scheppingsdaad den kosmos alzoo geschapen had, dat voorts vanzelf soort uit soort opkwam, maar deze voorstelling heeft met de Evolutie-hypothese niets uitstaande. Die voorstelling is theïstisch, teleologisch en organisch, terwijl de Evolutie-hypothese antitheïstisch, „planlos", en mechanisch is. Zij het dus al, dat de resultaten der Evolutie-theorie op meer dan één punt, gelijk spreker aantoonde, met de Christelijke Belijdenis harmonieeren, als stelsel moet het door een iegelijk, die God vreest, met alle kracht worden tegengestaan. Het is een pseudo-dogma, dat zich als een nieuw geloof tegen het overgeleverde geloof der Christenheid overstelt Eenerzijds Goddelijke liefde en ontferming, en anderzijds ontwikkeling 'doordien de sterkere den zwakkere vertreedt en verplettert, zijn twee denkbeelden, die elkaar diametraal uitsluiten. En gelijk hij vroeger tegen de Schrtftcritlek, en in zijn Verflauwing der grenzen tegen het Pantheïsme het woord had opgenomen, zoo verhief Spr. thans als Rector zijn stem tegen het valsche Evolutiedogma, daarbij onveranderlijk vasthoudend aan het uitgangspunt van de Christelijke belijdenis: Jk geloof in God Almachtig, Schepper des hemels en der aarde".

In het Gereformeerd Jongelingsblad van 3 November 1899 vroeg een inzender, hoe hij de voor hem „onleesbare" rede van Professor Kuyper over „Evolutie" in zich op zou kunnen nemen. De vreemde woorden, waarvan ze krioelde, maakten haar voor hem onverstaanbaar.

Aan dien afschrik van al die geleerde kunsttermen kwam toen in het nummer van 27 November de kroniekschrijver tegemoet, door verwijzing naar Gerhards vertaling van Haeckels werkje over den tegenwoordigen stand onzer kennis van den oorsprong van het menschelijk geslacht, waarin men allerlei verklarende opmerkingen aantreft. Al dat

Sluiten