Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

207

JAARTAL 1899

wetten, die de anorganische natuur beheerschen, consequent wil doorvoeren bij de organische natuur; en die daarom alle doel principieel loochent en alleen de causaliteitswet heerschen laat. Indien Prof. Hubrecht onomwonden tegen deze theorie partij had gekozen en een definitie der evolutie had laten voorafgaan, waardoor deze mechanische opvatting werd buitengesloten, dan zou hij met een schijn van recht zich op dit woord hebben kunnen beroepen. Nu hij dit niet deed en juist omgekeerd eindigde met de hoop uit te spreken, „dat de twinstigste eeuw het door Darwin gestrooide zaad recht welig zal zien ontkiemen en daarvan rijpe vruchten plukken," was het niet billijk de voorstelling aan zijn hoorders te geven, alsof Dr. Kuyper principieel aan dit Darwinisme gelijk gegeven had.

Maar ook dan nog ware het niet meer geweest dan een schijn van recht. De vraag, die Dr. Kuyper hier beantwoordde, was niet of de evolutie-theorie, nu in haar meest gunstigen zin genomen, zoodat men daarbij met Dubois, Reymond e. a. God erkent als den schepper van de moedercel, waaruit door langzame ontwikkeling alle organische wezens zijn voortgekomen, door den Christen als juist kan worden aangenomen, maar of deze voorstelling op zichzelf bestaanbaar is met een religieus besef in den mensch. Het antwoord op die vraag luidde bevestigend. Alle religie rust op erkenning, dat God de Schepper is van hemel en aarde. Alleen wie dat ontkent, heeft fundamenteel met alle religie gebroken. Maar wie in wat vorm dan ook God nog als Schepper erkent, kan niet gezegd worden met de religie in strijd te zijn.

Geheel anders daarentegen komt de quaestie te staan, wanneer men vraagt, niet of deze opvatting der evolutie bestaanbaar is met de religie, maar of zij te rijmen is met de openbaring, die God ons schonk in Zijn Woord aangaande de wijze, waarop Hij hemel en aarde schiep. De vraag is dan niet, met eerbied gesproken, of God ook op andere wijze de wereld had kunnen scheppen en toch Schepper blijven, maar of wat de Heilige Schrift aangaande de schepping ons mededeelt, door ons als Goddelijke openbaring moet worden geloofd, en of die openbaring ooit met het grondbeginsel der evolutie, in wat vorm ook voorgesteld, te rijmen valt ?

Op die vraag kan het antwoord niet anders dan ontkennend zijn. De Schrift leert ons niet de langzame ontwikkeling der soorten uit één moedercel door geleidelijke opklimming, maar zegt ons, dat God Almachtig door telkens nieuwe scheppingsdaad de soorten schiep.

Daarom kan wie voor het gezag der Schrift buigt, gelijk Dr. Kuyper dit doet, nooit gezegd worden met het grondbeginsel der evolutie mede te gaan.

Het Scheppingsverhaal en de evolutie-theorie, zelfs in haar meest gematigden vorm, zijn met elkaar in onverzoenlijken strijd.

Om der wille van de curiositeit zij nog vermeld, dat Dr. Kuyper op het titelblad van zijn oratie achter zijn naam de letters L. L. D. voegde, d. w. z. doctor of laws, de titel van doctor in de rechten, hem

Sluiten