Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

211

JAARTAL 1899

worden medegedeeld, waarop de minister van Buitenlandsche Zaken in de meest bedekte vormen zinspeelde.

Wij hadden het wezenlijk niet mogelijk geacht, dat een diplomaat zoo iets zou kunnen bestaan.

Nog meer echter dan het optreden des heeren Van Stoetwegen, die blijkbaar de beheersching zijner zinnen tijdelijk moet verloren hebben, verwondert ons het feit, dat de Nieuwe Rotterdamsche Courant, die toch bij koelen hoofde dit schrijven heeft ontvangen, er hare kolommen voor heeft opengesteld.

Grooter ondienst kon zij in de gegeven omstandigheden èn den heer Van Stoetwegen èn de haar bevriende Regeering wel niet bewezen hebben.

Het antwoord van Dr. Kuyper op het schrijven van den gezant aan de N. Rott. Ct. toegezonden, luidde aldus:

Aan Harer Majesteits Buitengewoon Gezant en Gevolmachtigd Minister bij het Hof te Petersburg.

Excellentie,

In de N. Rott. Cour. van 11 Mei j.1. vond ik een aan mij gericht schrijven van „den Gezant der Nederlanden", te St. Petersburg. De titel stond niet onder, maar boven den naam. Het was alzoo een schrijven in qualiteit. Een stuk, waarvan afschrift in het archief van het Gezantschap moet berusten. Een officieel document

Voor dit officieele document zij het mij vergund uwe Excellentie uit tweeerlei hoofde mijn beleefden dank te bieden.

En wel in de eerste plaats, omdat het eene niet onbelangrijke officieele ampliatie behelst op de inlichtingen, mij in de zitting der Tweede Kamer van 2 Mei j.1. door den heer Minister van Buitenlandsche Zaken verstrekt.

Uwer Excellentie's chef oordeelde het destijds blijkbaar raadzaam over de gevoerde onderhandelingen nog een niet al te doorzichtige sluier te laten hangen. Op te hooger prijs stel ik het daarom dat Harer Majesteits Gezant aan het Hof van St. Petersburg thans, ongevraagd, een tip van dien sluier oplicht, en, zoo publiek als officieel, ter mijner kennisse brengt: 1°. dat de Mogendheid op wier verzet men stuitte, Groot-Brittanje was. Uwe Excellentie schrijft toch de „Mogendheid die Transvaal als haar vazal blijft beschouwen." 2°. Dat de strijd om die tegenwerking te breken niet te St. Petersburg is gevoerd. En 3°. dat Rusland „volgaarne zou gezien hebben, dat men Transvaal ter conferentie had kunnen uitnoodigen."

Dank zij deze mededeeling sta ik alzoo bij latere parlementaire behandeling van dit geding beter gewapend, dan de inlichting van den heer Minister van Buitenlandsche Zaken mij liet Juist het officieel karakter toch van uwer Excellentie's schrijven geeft mij een onbetwistbaar recht, mij ook in de Tweede Kamer op deze uwe mededeelingen te beroepen. En dat te meer, daar ik mij kwalijk kan

Sluiten