Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

231

JAARTAL 1901

lezen; en verreweg de meeste gegadigden teekenen zijn stukken, zonder er eigenlijk Iets van te verstaan.

En het is dat notarieete karakter, dat alle intellectualistische prediking ontsiert, en smakeloos, en daardoor veelal zoo ongenietbaar maakt

Uitlegkunde, leerstellige onderscheiding, trilogische indeeling, fijne ketterij-keuring, deftige taal, of ook taal die in het bombastische overslaat; maar het blijft al den onver kwikkei ijken indruk maken van koude, notarieele beduimeling.

Ge voelt niet, dat wie spreekt het zelf voelt, en daarom pakt het u niet, en sleept u niet meê. Er glanst wel vuurwerk in van woorden, maar er sprankelt geen vuur uit het hart, dat vuur in uw hart aansteekt

Ge hoort het aan, hoe er over uw dierste goederen geredeneerd wordt maar de vrucht van den edelen wijnstok proeft ge niet

Er wordt wel telkens gezegd, dat het om uw ziel, om uw eeuwige behoudenis, om uw zaligheid en om uw eeuwig leven gaat, maar onder het hooren raakt ge niet zelden nog verder van uw ziel af, dan toen ge u onder het gehoor nederzettet

Als ge wezenlijk met uw ziel te doen hadt, in angst over uw zonde waart, of voor de poorte der eeuwigheid stondt, en men begon u zulk een predicatie voor te lezen, zoudt ge bidden en smeeken dat men toch ophield, en u met uw ziel bezig liet zijn.

En nu willen we in het minst niet overdrijven, en toegeven, dat de prediking óók dient voor andere toestanden en voor andere doeleinden. We beschouwen nu de zaak van één kant, en moeten daarom thans wel eenzijdig zijn.

Maar de hoofdzaak, waartegen we ijveren, zal men nu toch gevoelen.

De notaris op zijn tijd. Het zij zoo. Nu en dan kunt ge ook hem niet missen. Maar de notaris eiken Zondag weer, dat is niet uit te houden, dat verderft de gemeente, dat slaat de prediking met machteloosheid, dat heeft geen vat op het volk. Dat sticht niet, maar sticht kwaad.

Na gewaarschuwd te hebben tegen het Intellectualisme, stelt Dr. Kuyper vervolgens in De Heraut, nrs. 1169—1174, den aard, het wezen en het gevaar van het Mysticisme in het licht, dat hij als zoodanig wel van mystiek onderscheidt. Immers, mystiek is het goede, het noodige, het onmisbare. Mysticisme is de ontaarding hiervan, haar verbastering, haar langzame verkankering.

Het verschil tusschen deze beide gevoelt men het best aan het Fiüoque.

Gelijk men weet, is Fiüoque de term van de belijdenis omtrent den Heiligen Geest, dien de Roomsche en Protestantsche kerken handhaven, en dien de Grieksche kerk geschrapt heeft

Fiüoque beduidt: en van den Zoon.

Het verschil nu bestond hierin, dat de Grieksche kerk beleed, dat

Sluiten