Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1901

238

het zwaartepunt valt, wat bezielt en wat aandrijft. En zoo verstaan, is er geen de minste twijfel, of de werken overrompelen in de kringen van het Practicisme weer het geloof. Om rechtvaardigmaking bekreunt men zich niet meer, indien men maar toonen kan, dat men opgaat in allerlei Christelijke bezigheden, en in Christelijke werkzaamheden voor niemand onderdoet.

En de derde schaduwzijde is, dat het geloof zich krank en eenzijdig op het specifiek dusgenaamd „Christelijke" richt, en wordt afgetrokken van het gewone menschelijke leven.

Godzaligheid moet in het karakter, in de neigingen, in het persoonlijk, in het huislijk, in het maatschappelijk, in het burgerlijk leven uitkomen, als hoogere zin, fijnere levensopvatting, eerlijker handel en wandel, zorgvuldiger besteding van bracht en tijd, als dieper plichtbesef, als teederder gevoel van verantwoordelijkheid, als gereeder gezindheid om nederig, ootmoedig, duldend en verdragend te zijn, en voorts moet daar dan het specifieke van Zondagsschool, Zending enz. bijkomen.

Het Practicisme daarentegen stemt dat alles wel toe, en wil dat ook wel, maar leidt toch eenzijdig alle voorhanden kracht schier uitsluitend naar dat specifiek-Christelijke af.

Een jongedochter, die stil voor God in haar huiselijke plichten leeft, en daarin opgaat, is eigenlijk nog maar een burgerlijk goed kind. Om wezenlijk een Christen-meisje zich te betoonen, moet ze desnoods van dat huiselijke wat schieten laten, en vooral zich toewijden aan wat men eenzijdig noemt: „Christelijke werkzaamheden".

Na de afzonderlijke bespreking van de drie krankheden, die zich onderscheidenlijk bij den verstandsmensen in het Intellectualisme, bij den gevoelsmensch in het Mysticisme, en bij den practijk-mensch in het Practicisme vertoonen, volgde in De Heraut, nr. 1200 nog een onmisbaar slot-artikel ten besluite, handelende over de lieden van het tegendeel, die het geschrevene zouden willen misbruiken tot een oorkussen, waarop de geestelijke traagheid zich te slapen lei. In dit slotartikel sprak Dr. Kuyper duidelijk uit, dat hij alle verantwoordelijkheid voor zulk misbruik van zijn woord verre van zich wierp.

Omdat we ernstig waarschuwden tegen het dorre, zichzelf behagende Intellectualisme, is er nog geen woord door ons gezegd tegen den plicht der Christenheid om de waarheid Gods in te denken en in zich op te nemen, en tot klare en heldere voorstelling te komen van wat ze belijdt.

Omdat we onze waarschuwende stem lieten uitgaan tegen de teugellooze afdoling van de krank geworden mystiek, is in niets door ons de roeping van Gods kind miskend, om te leven bij zijn ziel, te merken wat er in zijn hart omgaat, en de bevinding der waarheid in zijn eigen ziel te proeven.

En zoo ook, omdat we wezen op het ernstig gevaar dat ons bedreigt, zoo we het Christendom in enkele extra-Christelijke werk-

Sluiten