Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

241

JAARTAL 1901

het Christelijk volksdeel, dan wel voor onze volksgenooten, die met den Christus, altoos in politieken zin, gebroken hadden, een meerderheid in de Staten-Generaal zou zijn.

Ernstig waarschuwde spreker tegen de opkomende neiging tot persoonlijk winstbejag. „Er zijn er, die op posten, er zijn er, die op subsidiën, er zijn er, die op pensioen, er zijn er, die op verhooging van loon of salaris azen, en ik zeg niet, dat dit alles niet kan komen, noch ook ontken ik, dat veel in zulk begeeren rechtmatig kan zijn. Maar al kan de strijd buit brengen, buit mag het doel van uw strijd niet zijn, of ge voert rooverpolitiek, en haalt de banier van uw ideaal neer, om de vaan van het partij-egoïsme in top te hijschen."

En waar het om de beveiliging van den Christel ij ken grondslag van ons Staatsleven ging, mochten we onze Roomsche landgenooten niet buiten het christelijk erf sluiten. De Roomsen-politieke geschriften van La Menais, Haller, de Bonald, de Broglie e. a. behooren volgens Groen van Prinsterer tot de uitnemendste antirevolutionaire literatuur; en reeds in 1853 heeft hij in de Tweede Kamer het tegenover de Bosch Kemper betuigd, dat antirevolutionair de naam is van een politieke richting, „die niet binnen de grenzen der Hervormde, zelfs niet der Protestantsche gezindheid beperkt is."

Tegen saamwerking met de Christelijk-Historischen in Friesland rees bij spreker geen enkele onoverkomelijke bedenking. En de VrijAntirevolutionairen hadden in hun eminenten leider, den heer de Savornin Lohman, een man, die steeds een strijdbaar held voor onze Christelijke beginselen zou blijven, en niet minder een sieraad van ons parlement

Slecht stond alzoo de kans op samenwerking niet, mits niet het mengelmoes, noch de fusie, maar alleen het federatief optreden ons, als Antirevolutionaire partij, bij die saamwerking, onze zelfstandigheid waarborgde.

Voorts riep spreker Te wapen 1 niet alleen tegen de Sociaal-democratie, die de energie van het Revolutie-beginsel op de spits drijft, maar ook tegen het deftige Liberalisme, dat evenzeer God in het staatsrecht verzaakt.

Ten slotte waarschuwde spreker nog tegen drieërlei gevaar.

Vooreerst dat men zich blind staarde op de afgetrokken beginselen, en daardoor derwijs aan den strijd van het oogenblik vervreemdde, dat men eiken invloed inboette op de actueele politiek. Actueel was nu het vraagstuk, hoe den werkenden stand veilig te stellen tegen een economische onmacht, die hem onnatuurlijk drukte. Dat sociale vraagstuk gunde de volkeren geen rust eer het zijn beantwoording had gevonden. En zoo gij er uw beginsel niet op toepast, zal het, zonder U, toch tot beslissing worden gebracht, maar dan in vijandigen geest

Sprekers tweede waarschuwing was, dat men toch nimmer zijn zoo

Kuyper Bibl. fg

Sluiten