Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1902

250

ons hadden verfoeid. Veeleer is het thans de roeping der Christenheid, om, ten volle rekening houdende met de ongemeene macht van denken en van consequentie, die van het Revolutie-beginsel is uitgegaan, haar eigen leven- en wereldbeschouwing minstens even diep uit den wortel op te halen, en op elk punt antithetisch tegen de leus en wereldbeschouwing der Fransche revolutie over te stellen; iets wat daarom alleen het Calvinisme in volle consequentie zal kunnen doen, omdat het uitgangspunt dezer richting het zuiverst en het diepst ligt, en het wijdst is van strekking.

Vraagt men echter of uit dit beginsel der Fransche revolutie thans reeds de laatste consequentie getrokken is, die de verschijning van den Antichrist vooraf moet gaan, zoo moet dit betwist worden. In de dagen toen de Fransche revolutie haar loop begon, had men voor de religie niets dan minachting. De toenmalige toestand der kerken was dan ook te ingezonken, om eerbied af te dwingen. Vandaar dat men de Christenen laatdunkend aan hun lot overliet. Het zou de moeite niet geloond hebben ze te vervolgen. Dit heeft er toen toe geleid, dat men de religie naar de binnenkamer verwees, haar alleen bande uit den publieken levenskring, en er allerminst op bedacht was om een tegenreligie in het leven te roepen. En toch daartoe moet het, naar luid der Heilige Schrift komen, eer het einde in zal gaan. De onheilige macht der wereld, gelijk ze uit het beginsel der Fransche revolutie opkwam, moet zich ten leste concentreeren in een georganiseerde macht, onder een machtig persoon, en deze persoon moet zelf als Ood gaan zitten, en eischen dat men hem aanbidden zal. Dan eerst zal de Antichrist ten voeten uit zijn, en in zijn volle gestalte, in vleesch en bloed, tegen de gemeente van Christus overstaan; en dan eerst zal haar bloed nogmaals, maar dan ook voor het laatst, bij stroomen vergoten worden. Die toestand nu kan eerst intreden, als de onheilige wereldmacht, door de kracht der weer opwakende religie in haar vaart gestuit, ten leste leert inzien, dat ze religie alleen met religie kan verstaan, en daarom haar minachtende houding tegenover de religie ten slotte varen latende, haar eigen religie tegen die der Christenheid overstelt. Dat deze dingen zich nu reeds voorbereiden, is duidelijk. Het oordeel over de waarde der religie is reeds zoo heel anders geworden dan een eeuw geleden. Reeds is de Fransche revolutie bezig zich in de diepte der mystiek te verliezen. En uit die diepte der mystiek komt eens de Antichrist op.

Genoeg citaat ten bewijze, dat ook deze studie over de Engelen de moeite der lezing alleszins waard is.

Overigens ontkomt men onder het lezen niet altijd aan den indruk, dat hier meermalen gedachten worden uitgesproken, die in de Heilige Schrift niet voldoenden steun vinden; wat trouwens bij een breede behandeling van dit onderwerp niet te verwonderen is. Zie voorts: Th. Bensdorp: Twee brieven aan Dr. Kuyper over de Engelenvereering der Katholieke Kerk; De Katholiek, dl CVI, blz. 211—233.

Sluiten