Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1902

268

daar het spreken over de „kenbaarheid Gods" inleidt met Vondels beroemden reizang uit den Lucifer. En dan vertolkt hij de strekking dezer wonderschoone poëzie aldus: „Wij kunnen God niet kennen. Al wat ons dus overblijft is, Hem te zingen, te verheffen, te aanbidden, en Hem zoo den eenigen tol te betalen, waartoe wij schepselen, in staat zijn. Vondel wil ons doen gevoelen, hoe, waar de engelen, die altijd met God verkeeren, zoo diep roerend hun onvermogen om God te kennen belijden, het voor ons, gevallen creaturen, volstrekt onmogelijk is, om tot een adaekuate kennisse Gods te geraken. En tevens ligt de dichter den diepsten grond bloot van deze incogniscibilitas Dei, als hij zegt: „God is het wezen van ons wezen". Dit sta op den voorgrond om ons te wapenen tegen het groote gevaar, dat ons dreigt bij de behandeling van dezen locus, dat wij ons n.1. verliezen zouden in dorre intellectueele beschouwingen over God, opdat een voortdurend opzien tot Hem ons brenge en houde in de stemming der aanbidding en in het diep besef Zijner majesteit; anders toch krijgen we hier in den slechten zin des woords scholastiek en zwijgt het kindschap Gods in ons hart".

Al het stijf scholastieke van a Marck is op Kuypers college dan ook los en vloeiend geworden.

Ziehier een klein staaltje van de realistische wijze, waarop hij het levensvolle van Gods bestaan vóór de Schepping duidelijk trachtte te maken: „We beginnen met geheel op zij te zetten de dwaling, alsof God pas begonnen was te werken, toen Hij iets buiten Zich tot stand bracht. Hetzelfde toch heeft men eenigermate reeds onder menschen. Stel ik zit op mijn kamer te denken. De meid hoort: mijnheer heeft het druk. Nu komt ze boven om mijn kamer te stoffen. Zij denkt zoo goed als niet. Misschien of ze theebladen genoeg heeft. Zij werkt met de handen. En omdat ik dat niet doe, maar stil zit, moet ze nu wel meenen, dat ik niets uitvoer. Een generaal Bulier, die aan de Tugela stil te paard zit te kijken naar den loop van den slag, doet schijnbaar niets, en toch werkt hij met zijn hoofd op een ontzettende wijze, veel harder dan de beste Engelschman, die voor het kanon staat. En als straks die meid over een vrijer gaat denken, grijpt dat heel haar persoon aan. Eer Kant zijn „Kritik der reinen Vernunft" schreef, heeft er wat gebroed in zijn hersens! Hierin nu hebben we een zwakke analogie voor het werken Gods. Bij ons is voor een hooger mensch het stoffelijke werk bijzaak en het inwendige hoofdzaak. Die tegenstelling gaat ook door bij God. In Hem is het binnenwerk het wezenlijke, daarentegen het stoffelijke, met eerbied gezegd, bijzaak. Te denken, dat God tot op de Schepping niets gedaan heeft, is even dwaas als dat mijn dienstbode, wanneer ik uit mijn gedachten opsta om mijn kachel te poken, denkt: „nu voert hij toch eens wat uif'. (De Creatione, 2e bewerking, blz. 13 en 14).

Sluiten