Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

301

JAARTAL 1906

Dwergen voor reuzen hielden hier huis. Beschaving in den zin van uitwendige vormverfijning beheerschte het leven. Met de realiteit had men gebroken, voor het organisch karakter van het leven had men geen oog. Het werd conventioneele mozaiek, automistische losrafeling, en daarbij Fransche nabootsing. Dit kwaad nu heeft Bilderdijk in den wortel aangetast.

In de vierde plaats sprak Bilderdijk's nationale beteekenis in den moed en de klaarheid waarmee hij voor zijn heilige overtuiging geleden en gestreden heeft, en zulks met een volharding, die haar wederga zoekt. Hij alleen tegen allen. In die worsteling trad Bilderdijk fier en fel op. Hij sloeg raak, en zijn tegenstanders sloegen raak terug, en zoo werd het in het eind alsof men voor een stierengevecht stond. Bilderdijk de stier, op wien alles aanviel, die fel vervolgd en gewond werd, maar dien niemand aan kon, en die met bebloeden nek, maar onverwonnen, en den kop omhoog, het strijdperk uittrad.

De geestkracht die hierin uitkwam» sprak te sterker, zoo men bedenkt wat Bilderdijk's levenslot was. Soms een worm, meer dan een man, die door het leven kroop. Zonder opleiding, door zijn ziek been buiten allen omgang gehouden. Bijna zonder geld en zonder ambt. Zenuwziek tot het eind toe. Door partijzucht van 't professoraat geweerd. Om zijn liefde voor Oranje gebannen. Twaalf van zijn veertien kinderen naar 't graf gedragen. Gehoond en beschimpt als gevaarlijk sujet en fielt. Soms zoo zielsbenauwd, dat gedachte aan zelfmoord bij hem opkwam en toch van achteren God voor dat lijden dankend. Een ellende waarvoor de spreker geen medelijden inriep, omdat het echt genie juist door zulk een bitter levenslot gestaald wordt, maar die toch te sterker deed uitkomen de wezenlijke grootheid, die onder dit alles nooit bezweek, maar steeds den strijd volhield.

Bilderdijk's vijfde aanspraak op nationale beteekenis lag in zijn dichtmacht, en ten deze verweerde spreker Bilderdijk's dichtereere tegenover de Kloos'en en Verweijs, die wel Bilderdijk's universeele kennis eerden, maar volhielden, dat hij zelf geen dichter geweest was. Ook Bilderdijk's eeren van de classiciteit nam spreker in bescherming, voorts aantoonende, dat het hier gold geen gewone kunstcritiek, maar een principieel verschil van levensopvatting, met daaruit voortvloeiend verschil van kunstopvatting. Hij wenschte de beteekenis der jongere dichterschool daarom niet te onderschatten, en gaf toe dat deze jongere dichters zeggen mochten: Bilderdijk was geen dichter als ik, mits hun dan geantwoord werd: En gij zijt geen dichter als Bilderdijk. Het verschil lag tusschen het autonomistisch sensitivisme der jongeren en het eeren van het eeuwig Schoon in God bij Bilderdijk. Voor Bilderdijk daalde het eeuwig Schoon van Boven in ons gebroken leven neder, maar de jongeren kenden geen van Boven, en daarom staat hun kunst tegen die van Bilderdijk in beginsel lijnrecht over. Zij staan daarmeê echter tegenover de vroegere kunstgedachten.

Bilderdijk heeft de kunstopvatting der eeuwen op zijn hand, en zoo beoordeeld blijft hij onze tweede groote dichter, de harpenaar, die

Sluiten