Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1906

304

voortschrijden naar het spreekgestoelte ging gepaard met een onbeschrijflijk geestdriftige toejuiching. Er lag trouwens wel een korreltje waarheid in de bewering van den Terugblik-schrijver in Ons Tijdschrift, dat de hulde der duizenden minstens zooveel aan de machtige gaven van den vereerder, Dr. Kuyper, als aan de nagedachtenis van diens evenknie, den vereerden Willem Bilderdijk werd gebracht.

De Bilderdijk-rede, waarin Dr. Kuyper al de stralen van het licht dat van dit machtige genie uitstraalde, in één brandpunt samenvatte, was in één woord schitterend, een prachtstuk èn wat stijl èn wat inhoud betrof. Ze vónd dan ook algemeene instemming.

Toch was er ook wel kritiek. Een spotprent van Braakensiek stelde het voor, alsof Bilderdijk door Kuyper opgeschroefd was tot een duizelingwekkende hoogte. En J. H. G(erretsen) schreef in de 's Gravenhaagsche Kerkbode:

Wij hebben hier Dr. Kuyper op zijn zwakst en op zijn sterkst. De rethorica heeft Dr. Kuyper altijd een beetje in den weg gezeten. Hier heeft ze hem geheel overmeesterd. Wie niet tegen rethorica kan moet deze rede bepaald niet lezen. Het zal hem groen en geel voor de oogen worden. Ik kreeg lezende, (zeker, opdat men niet zou denken slapende) den indruk dien ik bij Koninginnefeesten wel eens van Stadsversieringen ontving. Overal tegen elkaar schreeuwende kleuren van vlaggen en wimpels. Zoo is de rede. Kakelbont van gezwollen beeldspraak. Zelden las ik zoo iets onzuivers. Men neme deze eene volzin (blz. 33): „Linguïstisch taalvorscher in onzen zin, is Bilderdijk nooit geweest, maar de vonk van het genie heeft hem 't ondergrondsche leven dier taal beglansd; bij dien glans heeft hij de verborgen diepten opgehaald; nieuwe zielsexpressie heeft hij in die taal ingetooverd: het levensbloed dier taal heeft hij weer tot in haar afgestorven uiteinden doen doordringen; en in de kracht zijner dagen heeft hij uit Oud-Delftsche kan, in fonkelenden alembiek ons zijn echt Hollandsche taaibrouwsel zoo donzig en zoo goudblond en zoo witschuimsch ingeschonken, dat de fijnproever er vroolijk bij werd." Zoo is er meer, zoo is er heel veel, zoo is het bijna overal.

De „Aanteekeningen" zijn rustiger. Maar hier is somtijds een hinderlijke uitstalling van geleerdheid. Wij schijnen er zeer diep van overtuigd te moeten worden, dat Dr. Kuyper heel knap is en eigenlijk van alles weet. Men vergelijke o. a. de verklaring van het woord „alembiek" uit de zooeven genoemde gezwollen passage.

Naast dezen slechten vorm staat een merkwaardige inhoud. Wie wil weten, wat Dr. Kuyper gewild heeft in zijn machtigen arbeid, die leze vooral deze rede. Zij is eene voortgezette bestrijding van het atomisme op allerlei terrein en een pleidooi voor de determinatie in het leven. Bilderdijk ging in dezen strijd voorop. Zijn werk is in deze dagen voortgezet. Dit is de grondgedachte van deze rede. Zij licht ons in omtrent Bilderdijk, maar niet minder omtrent den leider der anti-revolutionaire partij. Wij vinden hier minstens evenveel van Dr. Kuyper als van Mr. Bilderdijk. Ik wil hiermede niet zeggen, dat

Sluiten