Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1906

306

kunstscholen op, die zich karakteristiek van elkaar onderscheiden.

Dit toont, dat het wezen van de kunst en de opvatting van de kunst niet 't zelfde zijn. Het wezen blijft alle eeuwen door en bij alle volken identiek, de opvatting van de kunst verwordt, vervormt zich en wisselt. Ook de 80gers ten onzent hebben dientengevolge het wezen der poëzie niet anders kunnen nemen, dan het altoos was en blijven zal, en niemand betwist hun de verdienste, dat zij dit wezen der poëzie ook in mannen als Shakespeare en Milton, Hooft en Vondel wel moesten eeren. Deze onbetwistbare verdienste der 80gers erken ik niet nu pas, maar heb ik even beslist in mijn Bilderdijk in zijn nationale beteekenis gehuldigd. Er staat toch op blz. 74 zeer duidelijk: „Ook afgezien van de schoone stukken, waarmee deze school ons verrijkt heeft, hebben ze dit vooral boven de epigonen der oudere school voor, dat de jongeren weer in 't wezen der poëzie zijn ingedrongen, zich rekenschap van hun dichting zochten te geven, en van de leest ons weer naar 't leven teruggeleid hebben"; nadere uitwerking van wat op blz. 28 der rede kort was aangeduid. Dat wezen der poëzie hebben de 80gers niet uitgevonden, maar gevonden in de historie der kunst Het wezen der/poëzie is een gemeengoed van alle eeuwen. Niet dit karakteriseert hen dus. Lang voor hen had Bilderdijk het opnieuw in het licht getrokken, en ook voor Ons Tijdschrift zou er meer historische fierheid in hebben gesproken, indien de redactie met de stukken uit Bilderdijk had aangetoond, dat men om het wezen der poëzie te kennen, waarlijk niet bij de 80gers ter school behoeft te gaan, daar wij in B.'s geschriften reeds lang vóór hen bezaten wat zij verzuimden in B. te vinden.

Toch, niemand die 't betwist, vormen de 80gers een eigen school. Geen zelfstandige school, want in Engeland, Frankrijk en Duitschland bloeide een geheel gelijksoortige kunstschool op. Die eigen school nu kan niet gekarakteriseerd worden door wat in alle eeuw aan alle dichters als het wezen der poëzie gemeen was, maar moest uiteraard liggen in wat hun kunstschool van vroegere kunstscholen onderscheidt. Niet alzoo in het wezen van de kunst, dat voor allen identiek is en blijft, maar in hun kunstopvatting.

Zulk een kunstopvatting nu die de geboorte geeft aan een eigen kunstschool, die straks op haar beurt weer ondergaat, om voor een nieuwe plaats te maken, is product van den tijdgeest. Tot in de muziek gaat dit door. Een nieuwe tijdgeest, die allengs heel het levensbewustzijn in alle hoogere sferen doorademt, uit zich op andere, hem eigene wijze, ook in de poëzie. Ten onzent nu is die nieuwe tijdgeest poëtisch aan het woord gekomen door de dichtschool der 80gers. Vandaar hare principiëele tegenstelling tegen wat achter hen lag en hun als uitdrukking gold van eenen tegen den hunnen overstaanden tijdgeest Vandaar hun aanvankelijk onbarmhartig oordeel over Bilderdijk, die ze veroordeelden zonder hem te kennen, en ook hun minachten van mannen als Beets. De tegenstelling tusschen den tijdgeest die vóór hen heerschte, en den tijdgeestwaardoor ze zeiven geïnspireerd waren teekende zich gelijk dit niet anders kon, het diepst, op religieus gebied. Ook de kunst is Godes. Het merk van het Schoone

Sluiten