Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

307

JAARTAL 1906

staat op al wat God schiep, als merk van Goddelijken oorsprong, ingedrukt De kunst is een gave in den mensen uit de Ebenbildlichkeit met God opkomende; geroepen Hem te verheerlijken; door Hem met de schepping van het genie en de gave van het talent wakker geroepen; en in haar historisch proces door Hem geleid. Bij alle Theïsten (monothelsten en polythelsten) vindt ge dit erkend. Ze gevoelden het, zonder de Goddelijke inspiratie konden ze niet voort Onze tijdgeest daarentegen neemt God uit de kunst weg, wil het zonder Hem doen, loochent daardoor principieel de absolute openbaring Gods in Christus, en moest zoo wel vervallen in het pantheïsme, en daarmee op kunstgebied in de aanbidding van het Schoon zelf als het Hoogste Goed, waarvoor zelfs het ethische, en met name het heilige wijken moest. Wie niet knielt en bidt, staat altoos hoog rechtop, en moet wel hoog zichzelf stellen, en zoo leidde elke pantheïstische strooming uiteraard steeds tot verheffing van het eigen ik, en ten slotte tot zelfvergoding van het individu met kunstaanleg. Een kunstschool nu, uit zulk een tijdgeest, met zulk een kunstopvatting voortgekomen, moest wel eindigen met in het wezen der poëzie zelf een innerlijke vervalsching aan te brengen. Ze maakte den vorm los van zijnen wortel, ze leunde van het wezen naar den vorm over, ze verschoof het doel der poëzie, en hief niet op, maar drukte eer pessimistisch neer.

Hoe kon nu ooit zulk een dichtschool model voor een Christelijke letterkunde en voor Christelijke poëten zijn ? Zeker, eenzelfde kunstinstrument, als ik 't zoo noemen mag, kan dienst doen om te zegenen en te vloeken. Van de ééne tong zegt de apostel dat ze beurtelings God verheerlijkt en den mensch vloekt (Jac. 3:9). Dit nu kan ook van de kunst gezegd. Bij recht gebruik kan ze zegenen, misbruikt verderft ze. In zooverre zal dan ook een poëtisch element, als de 80gers aanwendden, om den van God afgevallen tijdgeest tot uiting te brengen, door Christenzangers kunnen gebezigd worden, om in de kunst Gods wil te volbrengen en onder zijn heilige inspiratie te dichten. Maar dit geldt enkel van wat ze ons waars en waarachtigs uit het wezen der poëzie herinnerd hebben, niet van hun eigenaardige dichtschool, gelijk die naar vorm en inhoud onder het drijven van dien tijdgeest ontstaan is. Met dien tijdgeest heeft wie voor den Christus in aanbidding neerknielt, niets gemeen, hij staat er op alle beslissende punten diametraal tegenover. Hem nabootsen is de keel voor het zingen uit Christelijke inspiratie dichtknijpen. De vorm is hier van den inhoud niet los, maar met den inhoud uit de geestesgesteldheid der SOgers voortgekomen. Zegt men nu, dat toch ook in Christelijke kringen de tijdgeest niet meer is, wat ze was in Bilderdijk's dagen, dan geef ik dit grif toe, maar ik onderscheid. Ook in Christelijke kringen drong veelszins een tijdgeest in, die niet uit den Christus, maar uit een onchristelijke wereld is. Daarnaar mag natuurlijk geen onzer jagen. Dit moet bezworen. Maar wel grijpt er ook in Christelijke kringen historische evolutie in het bewustzijn plaats. Dit kan niet anders, omdat we ook in Christelijke kringen èn meeleven èn een historisch proces doorloopen. Dit nu kan voor een deel tot een

Sluiten