Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1906

308

parallel-loopend proces leiden, mits de in elkaar gestrengelde takken nooit verward worden, en steeds worde teruggegaan op de twee geheel onderscheidene wortels waarop zij en wij stoelen. En zoo er uit de jongere letterkundige beweging onder ons welhaast weer echte kunst zal opbloeien, dan wachten we de zangers in, die het wezen der poëzie diepvoelend, de vervalsching der Tachtigers er in afwijzen, en aldus uit den levenden wortel der kunst ons een poëzie geven van het verjongd Christelijk bewustzijn, gelijk dit tintelt in onzen tijd.

Ja heel ons arbeiden op dit terrein des levens vindt eeniglijk oorsprong in Hem, die gezegd heeft: „werk zoolang het dag is, de nacht komt waarin niemand werken kan", — heel de kracht van ons optreden schuilt in het geloof aan Hem en Zijn Woord, in een positief geloof.

Dit nu zal er wel komen, maar het is er nog niet. Laat er ons onzen God om bidden, dat Hij er de komst van verhaaste. Maar juist daartoe is vóór alle dingen noodig, dat het tafellaken tusschen onze jongere school en de Tachtigers eens en voor goed worde doorgesneden. Men moet uit zijn gebondenheid los komen en weer vrij adem kunnen halen uit eigen Goddelijke inspiratie. In het wezen der poëzie ligt de onderlinge verwantschap van de dichtscholen aller eeuwen, maar in de bijzondere kunstopvatting die bij de Tachtigers heerscht, uit zich dit wezen der poëzie in een schema, een vorm, een wijze van te werk gaan, een manier van zich te uiten, een soort stemming een categorie van aandoeningen en gewaarwordingen, die niet toevallig, maar in het pantheïstisch beginsel zelf gegeven zijn. Wie daarin onzerzijds zich verplaatst en hangen blijft, is weg. Hij toch kan de kracht niet ontwikkelen, die de pantheïsten ontwikkelen, omdat hij hun geest mist En ook, hij kan uit eigen geest niet zingen, omdat de pantheïstische vorm hem een koord om de vleugelen slaat, dat bij hem niet past.

Juist omdat ik op het opkomen van een meer artistieke beweging onder ons zoo jaloersch ben, ontleen ik daarom aan mijn gevorderden leeftijd het recht om een woord van zachte waarschuwing te doen hooren. Voor het wezen der poëzie vinden onze jongeren, evengoed als bij de Tachtigers, bij Bilderdijk al wat ze behoeven, mits ze zijn werken over het wezen der kunst doorploeteren, wat bij B.'s stijf proza lang niet licht valt. En wat hun inspiratie aangaat, die moeten ze bij hun God en bij Gods gezalfden Koning zoeken, en niet bij mannen, die een dichtschool vormen, wier karakteristieke eigenheid juist uit het pantheïsme opkwam. Hun taak en roeping is het, niet als Dina naar Sichem te wandelen, maar in te leven in de nooden, in de gewaarwordingen, in den zielestrijd, in de worsteling, in het lief en leed van onze Christelijke kringen, en in die kringen den vrede, de vertroosting, de opheffing te brengen, die hoogere kunst zoo machtig geven kan. En is men op die taak uitgegaan, laat dan de heldenmoed weer opvlammen, om door een zang uit echte kunst geboren, in den strijd des Heeren tegen wie Zijn Naam honen, mee te strijden, en tevens te pogen of ze uit de kringen, die Hem niet kennen, winnen mochten voor hun Heere en Koning. Dan zal uit de diepte onzer

Sluiten