Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1907

326

En uit Rumenië zullen we Rusland binnengaan en de revolutie van stad tot stad zien snellen, door eindelooze vlakten, om overal te wijzen op idealen, die schitteren als icons en die men kust in den geest, met diepe devotie. Die idealen moeten worden werkelijkheid en daarvoor is noodig om ze met reuzenkracht te modelleeren uit de bazalt-rotsen der autocratie.

Ook zullen we geducht kennis maken met de Zigeuners, die we nu en dan zagen als vreemde eenden in onze bijt, maar niet veel tegelijk. Enkelingen waren het, die wel een oogenblik de aandacht trokken, maar gauw vergeten waren. We zagen ze bij gelegenheid van een kermis in hun kleurige kleedij, met hun donkere oogen en taaie gestalte. We hadden wel eens gehoord, dat ze als voorposten waren van geheele legers, maar die legers zelf kwamen we nooit te zien. Er waasde iets ideëels in hun lachend, zonnig voorkomen en er was virtuositeit in hun spel.

En nu is het, alsof daar opeens al die verspreide benden op één wenk naar één verzamelpunt zijn gewaaid, waar we ze vlak voor ons zien — van buiten en van binnen.

Door één machtwoord schijnen alle Zigeuners geëlectriseerd en staan ze in een kring om ons heen, niet geraakt, als we nauwkeurig willen zijn en soms lastig worden, 't Is toch aangenaam zoo ongegeneerd te kunnen kijken naar die bonte menigte en als ze leelijk doen met een blik van minachting of afkeer hun brutalen oogopslag te tarten — en ze dan ten slotte allen te laten inrukken bij een flinken slag, waarmee het boek wordt dichtgeklapt.

En dan — de Joden; die moeten we ook zien in hun verschillende toestanden in Oost en West. Waarom zijn zij in het Oosten zoo geducht en waarom stelden sommige landen zich de vraag: Hoe moeten we staan tegenover den Jood, en wat moet er worden gedaan, opdat hun hoopjes van tien onze duizenden niet binden als een boef?

We willen de Joodsche geldmannen als menners van de Europeesche vorsten zien, voor zoover de machthebbers jagen naar operatjën, die groote schatten vragen en we willen opnieuw verbaasd staan bij het feit, dat de Joodsche geldkoningen soms voor Aeolus spelen en nu eens de gouden kettingen kappen, waaraan de oorlogen, als geweldige stormen, vastliggen — en dan weer diezelfde oorlogen kluisteren aan de rots van hun onwil.

Wat is dö Jood chochem! Wat steekt hij door rijkdom en list den Christen de loef af in zijn vaart naar macht! Wat legt hij een gewicht in de schaal van oorlog en vrede en wat zien de koningen naar hem om, als zij kracht willen keeren met kracht! Zoo zag Europa voor honderd jaar naar Napoleon op en las op zijn voorhoofd de profetie van wel of wee. En daar schijnt nu de Jood, zonder eenig erfrecht te kunnen doen gelden en zonder eenig vertoon, de troon van Napoleon te hebben bezet — niet door geweld, maar door geestelijke meerderheid, niet voor een tijd, maar permanent. Hij nam den geesel ongemerkt uit de hand van den geweldenaar, die banneling werd, en hij laat hem nu spelen over de ruggen der volken, niet

Sluiten