Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

335

JAARTAL 1907

't Bezwaar tegen een wettelijke voorziening, die de verbrokkeling van het bedrijf veroorzaken, en het ontstaan van allerlei kleine bedrijfjes in de hand werken, deelt Spreker niet. Dat 't in Noorwegen zoo gegaan is, daaruit blijkt alleen, dat de wet daar niet goed is. Andere manieren om de wet te ontduiken, internaat van knechts, zetbazen, bestuurders van coöperaties, die zouden gaan werken, moeten ook worden verboden.

't Eenige waaromtrent Spr. zegt, tast niet te snel toe, dat is tegenover een man, die in zijn eigen huis met zijn familie werkt. Dien 't werken verbieden, is geen arbeidsbescherming meer, maar ingrijpen in 't gezin. My house is my castte, zegt de Engelschman. Daaruit spreekt dezelfde zin als uit 't Hollandsche: Naast God ben ik meester op mijn schip. Er is niets, waarop ons volk zoo gesteld is, als de vrijheid van het tehuis.

Men wachte zich toch vooral, rechtstreeks daar in te grijpen. Misschien zal het later noodig zijn. Maar de bakkers moeten vooral niet het onderste uit de kan willen hebben, en ook niet aandringen op het ploegenstelsel, dat toch de rythmische gang van het leven breekt.

De conclusie van den spreker was, dat hoe goed, en hoe deugdelijk ook het doel is van het congres, wij het niet zullen bereiken, tenzij de propaganda wordt voortgezet. Al de heeren en juffers, die 's morgens naar het versche brood grijpen, moeten weten, onder welke omstandigheden het bereid wordt. Alleen door sterke propaganda is de publieke opinie te bewerken.

Maar niet slechts dat. Ook de conscientiën moeten aangegrepen, van consumenten, van bakkers en gezellen, opdat ze tezamen mogen optrekken tegen deze burcht der boosheid, met de kreet, waarmee ook de kruisvaarders optrokken: God wil het, en daarom zullen we overwinnen 1

Hierop volgde eenig debat, waaraan 8 sprekers deelnamen.

Dr. Kuyper constateerde in zijn repliek tot zijn leedwezen, dat blijkens de uitlatingen van verschillende debaters zijn spreken over de ordinantiën Gods zoo goed als geen indruk had gemaakt. Waarom heeft hij daarover gesproken? Om niet alleen de publieke opinie te bewerken, maar ook te grijpen in de consciënties. Spreker wenscht zeker een finaal-afdoende wet, die iederen patroon zal doen afzien van nachtarbeid.

Maar een bepaling, dat een man, met zijn gezin, 's nachts geen brood zou mogen bereiden, hoort in zulk een wet niet thuis, maar in eene van bedrijfsregeling. Voorts, bestaat er kans of uitzicht, dat een wet mèt een zoodanige bepaling tot stand zou komen?

Het Congres moge nu applaudiseeren, maar de Staten-Generaal luisteren daar niet naar. In Den Haag werken andere invloeden. De vraag van „iedereen" naar versch brood 's morgens zal daar invloed hebben. Zeker, dat is een onzedelijk argument en daartegen moet opgekomen.

Maar de overtuiging staat sterk, dat het fundamenteele recht van

Sluiten