Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

339

JAARTAL 1908

voornaamste zijner parlementaire redevoeringen uit dien tijd, 1874— 1876, werden reeds uitgegeven. Uit den aard der zaak konden die redevoeringen niet volledig licht verspreiden over het karakter, en de beteekenis der anti-revolutionaire partij. Eerstens, omdat die partij toen nog in haar geboorte was; en tweedens, omdat de parlementaire arbeid van Dr. Kuyper door een ernstige ziekte werd onderbroken. Reeds in 1876 nam hij ontslag als Kamerlid en bewerkte hij, evenals Groen had gedaan, buiten de Kamer den volksgeest. Van Groen's arbeid buiten de Kamer werd in 1871 getuigd: „dat de heer Groen, zonder lid der Kamer te zijn, als eenvoudig staatsburger, niet weinig medewerkte om, door middel van zijn pen, ministeries omver te werpen en dat niemand beter dan hij de eischen van den constitutioneelen regeeringsvorm begrijpt en in toepassing brengt." 7) Hetzelfde zal zeker wel van Dr. Kuyper, in het tijdvak van 1876—1894 kunnen gezegd worden.

Verklaarbaar was de belangstelling, waarmede in 1894 het wederoptreden van Dr. Kuyper in de Tweede Kamer door het publiek werd begroet. Er waren echter twee omstandigheden, die aanvankelijk dat weder-optreden niet tot zijn volle recht deden komen. Vooreerst het karakter van het Ministerie Roëll—Van Houten, in zekeren zin een Kabinet ad hoe, geroepen om binnen de grenzen van artikel 80 der Grondwet een Kieswet te geven. En in de tweede plaats een ernstige ziekte, die den afgevaardigde van Sliedrecht meer dan een half jaar tot werkeloosheid doemde.

In het zittingjaar 1894—'95 werd dan ook slechts bij één onderwerp door hem het woord gevoerd, n.1. bij het wetsontwerp-Opsterland, dat, naar de overtuiging van den redenaar, de autonomie der gemeenten aantastte, hetwelk door hem in den breede werd ontwikkeld en waarbij het anti-revolutionaire beginsel op dit stuk werd aangegeven.

In het zittingsjaar 1895—'96 liet de afgevaardigde van Sliedrecht, hersteld van zijn ziekte, zich niet onbetuigd. Bij de behandeling van het wetsontwerp betreffende de grensregeling van Amsterdam, Sloten, Diemen en Nieuwer-Amstel ontwikkelde hij nogmaals zijn denkbeelden omtrent de zelfstandigheid der gemeenten, in aansluiting aan het groote beginsel van „souvereiniteit in eigen kring." Aan de behandeling van de Kieswet-Van Houten nam de Sliedrechtsche afgevaardigde een groot aandeel. Van zelf ontwikkelde hij daarbij de bij de anti-revolutionairen heerschende opvatting betreffende het gezinshoofden-kiesrecht Vermelding verdienen voorts zijn beschouwingen over het eedsvraagstuk in verband met het wetsvoorstelGerritsen, om den eed voor de Staten-Generaal, voor de Provinciale Staten en voor de Gemeenteraden facultatief te stellen.

Bij de algemeene beraadslagingen over Hoofdstuk V voor 1897 meende hij aanleiding te hebben aan te toonen, dat de vooruitstrevende vrijzinnigen, de Takkianen van dien tijd, het door hun exclu-

7) De Gids van 1871, April-nummer, blz. 81.

Sluiten