Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1908

340

sieve en partijdige houding onmogelijk maakten voor de anti-revolutionairen om met hen samen te werken.

Hoe gering, betrekkelijk althans, bet aandeel ook was, dat Dr. Kuyper aan het parlementair debat in de eerste twee jaren van zijn lidmaatschap vermocht te hebben, de belangstelling bij het publiek in zijn optreden was er niet minder door geworden. Als hij sprak, waren de tribunes en de loges dikwijls extra bezet; en ook de pers wijdde er zeer veel aandacht aan.

Deze belangstelling verflauwde allerminst in het zittingjaar 1896— '97, toen hij eerst zijn groote, schitterende koloniale redevoering hield over de stelling: „de zending is een politiek, een koloniaal belang, weshalve de Regeering de zending heeft te steunen." Daarop volgde zijn rede bij het politiek debat over de Staatsbegrooting voor 1897. Zich aansluitende bij het betoog van Jhr. Mr. Beelaerts van Blokland, protesteerde de redenaar tegen eene uitdrukking, die Minister van Houten zich in de Eerste Kamer had veroorloofd, n.1. dat alle vrijzinnigen zich te vereenigen hadden tegen de clericalen, eene uitdrukking, die herinnerde aan Gambetta's leuze: le clericalisme dest l'ennemi. De spreker ontwikkelde hierbij zijn denkbeelden over de ministerieele verantwoordelijkheid, over de homogeniteit in het Kabinet en over het neutraal karakter, dat de Regeering tegenover de stembus heeft in acht te nemen. Van groote beteekenis, met het oog op het standpunt der anti-revolutionaire partij opzichtens de sociale wetgeving, zijn voorts de redevoeringen van Dr. Kuyper over het wetsontwerp-van der Sleyden betreffende de Kamers van Arbeid.

Na de Juni-stembus van 1897 werd het Mlnisterie-Roëll—van Houten vervangen door het Ministerie Pierson—Goeman Borgesius. In deze nieuwe legislatieve periode, van 1897 tot 1901, had Dr. Kuyper eene beteekenisvolle positie. Reeds bij het eerste politiek debat onder laatstgenoemd Kabinet begroette Mr. Bahlmann hem als den leider van de Rechterzijde. Zijn redevoeringen in deze wetgevende periode waren er blijkbaar op gericht om eenheid te brengen in de actie der Rechterzijde; iets wat, blijkens den uitslag van de Juni-stembus 1901, met succes werd bekroond. Magistraal was zijn redevoering bij het politiek debat in December 1897, de eerste begrooting onder het Ministerie-Pierson, toen hij dit Kabinet toetste aan de stembus-leuzen van den „Tiendaagschen Veldtocht" (15—25 Juni 1897) en aan de eischen, die aan een homogeen Ministerie, waarvoor het zich uitgaf, moeten gesteld worden. Deze redevoering kan op gelijke lijn gesteld worden met de schitterende rede van Groen, 27 Juli 1849, over ministerieele homogeniteit. Ook hierin overeenstemmende, dat in beide redevoeringen het anti-revolutionair beginsel op dit stuk duidelijk werd aangegeven.

Onder deze periode vallen ook Dr. Kuyper's beschouwingen over ongevallen-verzekering, over het niet-uitnoodigen van de ZuidAfrikaansche Republiek (Transvaal) naar de eerste Vredes-Conferentie, over onze positie als Koloniale Mogendheid, over de Volkshuisvesting en niet het minst Over de middelen om de Javaansche

Sluiten