Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

377

JAARTAL 1911

de lompe manieren der kloutergrage Scheveningers bij' een paniekje beschreven (156) en de voorstelling van het oudvaderlijke bevestigings-formulier der ouderlingen afgekeurd, waarin den ouderlingen „als controleurs een inspectie over de dienaren wordt toegedacht". „Het eert de predikanten-opstellers," voegt K. er ondeugend aan toe. (541). Raak is ook de opmerking: „Waar zoo sterk in het huwelijks-formulier op het heilig houden van het huwelijk wordt aangedrongen, maakt het een zonderlingen indruk dat het leven met Sara en Hagar, en bij Jacob zelfs met vier. vrouwen, in het gebed tot Qod als voorbeeld wordt gekozen" (555).

En toch hoe ernstig is dit boek, en hoe rijk aan fijne, teedere psychologische opmerkingen ! Als hij na het Amen der predicatie en het daarop volgend dankgebed een pauze bepleit, opdat de Gemeente van de eene in de andere stemming kunne overgaan, geeft hij deze ware en treffende vergelijking (339): „Hoe beslist die overgang uit het leven in het gebed, en uit het gebed in het leven meespreekt, kunt ge zelf aan uw disch ontwaren. Als er door het hoofd van het gezin overluid gebeden werd, en onder het gebed aller oog gesloten en aller handen gevouwen waren, en het Amen sluit het gebed, dan is er het eerste oogenblik, als de oogen zich weer ontsluiten en de handen zich weer ontvouwen, bij de meesten zekere verlegenheid. Het is of men niet recht weet hoe uit de gebedsgestalte in het gewone leven over te gaan. Machinaal grijpt men dan een vork of lepel, of trekt vrij links de handen terug. Dit nu komt alleen daarvandaan, dat men verzuimt een kort oogenblik pauze te laten intreden, en nu den overgang uit het gebed in de gewone gestalte te plotseling, en daardoor onnadenkend wil doen intreden."

Zijn woorden over het gebed, het gebedsleven, zonde en schuldgevoel behooren almede tot het schoonste, wat deze vruchtbare auteur over deze onderwerpen geschreven heeft, en ze doen hier dubbel weldadig aan omdat de zoetelijke, soms wel wat gemaniëreerde stijl zijner Stichtelijke Meditaties hier geheel wegblijft. Somtijds kunt ge niet anders dan een stil en dankbaar „Amen" op deze uitingen van den grijzen vader in Christus uitspreken, te hooger gewaardeerd naarmate ge u in die gestalte den schrijver zeldzamer voor oogen stelt. De polemiek tegen de Ned. Herv. Kerk is absoluut nagelaten, en als hij van ons gewag maakt, spreekt hij van twee kerkegroepen, waarbij hij ons zelf het éérst noemt (513). Er komt ons uit heel dit boek, ondanks zijn critischen opzet en inhoud, een toon van verlangen naar God tegemoet, een heimwee naar den vollen vrede, dat weldadig aandoet. Wanneer hij het aanzitten aan het H. Avondmaal bespreekt, en zegt hoe, vooral in een kleine gemeente, waar de een den ander zoo persoonlijk kent, en hoe „heugenis van anderer zonde en schaamtegevoel over eigen zonde, zoo licht den plechtigen indruk stoort," schrijft hij ook deze schoone woorden: „Zelf kunnen we nooit, anders dan het heilige bederven, en daarom is het aanzitten aan den disch in een geheel vreemde gemeente vaak zoo verkwikkend. Toch staat het nog hooger, even rustig en in heiligen vrede in onze eigen gemeente te mogen aanzitten, als niets

Sluiten