Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

387

JAARTAL 1912

En gun me nu ten slotte nog een kort woord over mijzelf. Ik ben oud, maar nog niet op, en wat ik aan kracht nog behield, blijf ik u ten dienste stellen. Ik mag niet anders. Immers uw trouw en liefde bleef de zachte zonnegloed, waarbij mijn kracht eens ontlook, toen aanwies, en nu nog nabloeit. Ik ben een veelszins zoo gelukkig man geweest. Ik heb niet alleen geploegd en gezaaid, maar ook schoven van den akker mogen wegdragen. Herinner u slechts onder wat bittere teleurstelling Qroen van Prinsterer wegstierf en ge zult den dank, die mijn hart vervult, verstaan.

Maar toch was 't niet alleen uw liefde die dit wrocht. Ook de Simei, die mij als eens David navloekte, mocht mij op mijn levenspad verzeilen, en niet minder aan dien Simeï dank ik een deel van mijn kracht. Fiolen van smaad en verguizing heeft hij, te meer daar geen onzer onfeilbaar is, al die jaren over mij uitgegoten. Maar juist die jarenlange smaad is mij een bron van sterkte geworden. Lof verslapt en wierook bedwelmt, maar smaad en toom hardt. Wrok tegen mijn belagers heb ik daarom nooit gekend. Ik voelde 't zoo, wie mij 't scherpst havende, kreeg er 't best af wat er toch af moest. Zoo heb ik bij 't naderen van het einde van mijn weg vriend en vijand beide te danken, of liever voor beide Hem te danken, die mij beide ontmoeten deed. Toch alleen met dit verschil, dat wie mij gram werd, mij de wonde sloeg, terwijl uw liefde de olie indruppelde, die dan de wonde weer genas.

Broeders, daarvoor zij de dank u uit 't diepst mijns harten geboden. Zoo toch zijn de litteekenen, die ik draag, voor u de eereteekenen van uw trouw geworden. Vergelde onze God 't u, als ge ooit in leed mocht verzinken, en blijve Hij ook in den nu komenden strijd van 1913 ons de Springader van die heilige kracht, die alleen ons de overwinning bezegelen kan.

Een ooggetuige, die de rede te Leeuwarden bijwoonde, verhaalt van het geweldig enthousiasme der Friesche Antirevolutionairen op het perron, bij Kuypers vertrek naar Groningen. Een dichte drom zong Da Costa's volkslied: „Zij zullen het niet hebben". In Tietjerk en Hardegarijp hoorde men een luiden afscheidsgroet van uitstappende reizigers. In Veenwouden stapte een groot getal uit, stormde naar de coupe van Dr. Kuyper, klom op de treeplank, drukte hem de hand, en zong hem toe, tot groote ergernis van den stationchef, die ongeduldig stond te wachten, met het geven van het sein tot vertrek van den trein, totdat de ovatie geëindigd was.

Deze buitengewoon hartelijke ontvangst in het Noorden was voor Dr. Kuyper een bijzondere verkwikking in moeilijke dagen.

193. Afgeperst. Naar aanleiding van het Kamerdebat op 6 December 1911. Kampen, J. H. Kok, 1912.

De rede van Dr. Kuyper „Uit het diensthuis uitgeleid" werd spoedig gevolgd door de verschijning van „Afgeperst".

Sluiten