Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1912

394

Het is niet mijn bedoeling hier van deze Rede een exposé te geven. Het is mij alleen te doen er nog eens de aandacht op te vestigen.

Zoo, waar de redenaar in verband met de vrijmaking van het hooger onderwijs, niet slechts op de Calvinistische, maar ook op de nationale beteekenis der verschijning van de Vrije Universiteit op het vaderlandsche erf wees. Deze passus (p. 9—11), die kort saamvat wat ook in Dr. Kuypers geschriften: Bede om een dubbel corrigendum, Strikt genomen en de Inwijdingsrede is te vinden, geeft een helder inzicht in wat de Akademie ten onzent zoo vóór als na de Fransche Revolutie was. Daar vóór „zelfstandige corporatie met eigen rechten", daarna, vernietiging van al de corporatieve rechten en een instituut geknecht door den Staat Een helder inzicht ook in de beteekenis der wet van '76, die een Vrije Akademie weer mogelijk maakt. Al was het dan ook, dat zulk een Akademie in 1904 met den „effectus civilis" en het beginsel van staatssteun, eerst burgerrecht verkreeg.

Maar ook dat deel van de Rede waarin over de „tweeërlei wetenschap" wordt gehandeld, verdient bijzondere opmerkzaamheid.

In voor ieder verstaanbare woorden wordt daar uiteengezet de tegenstelling van de wetenschap die wél en die niet met Gods openbaring rekent En hier, waar gewezen wordt op de roeping ónzer Universiteit: „den strijd aan te binden tegen het ondeugdelijk beginsel, waaruit de moderne wetenschap haar levenskracht trok", — verzuimt Kuyper niet, ons ook een woord van hoogere waardeering te doen hooren voor „de winste van onze macht over de natuur en de winste inzake ons kenvermogen", welke déze wetenschap ons gebracht heeft. Van Kant heet het daarbij, dat „hij een licht op ons kenvermogen heeft doen vallen, gelijk het vóór hem zelfs niet werd \ veermoed" (p. 17). En verder (p. 18), „Waarin eens Augustinus en \ Thomas, Calvijn en Voetius ook uitschitterden, wat Kant 't eerst V greep, greep hunner nog niet één".

Ben het er goed mee eens.

Maar evengoed ben ik het eens met Dr. Kuyper, wanneer hij, na die tweeërlei waardeering, aan de moderne wetenschap verwijt, „dat zij de heilige kunst om den zielsnood van ons ingezonken ik te ondervangen, niet alleen geen stap verder heeft gebracht, maar bijna verleerd heeft". De daar volgende bladzijden waarop hij het heeft over de roeping der christelijke wetenschap, „wier bloei vraagt voor alie vakken duurzaamheid en eenheid van beginsel, vraagt om een school", — die bladzijden, zoo prachtig door de vastheid van overtuiging, die er u uit toespreekt en door de bezieling, die er van uitgaat, vormen, ook door het esthetisch schoon van haar woordkunst en haar doorvoelde beelden, het hoogtepunt van de Rede.

Het slot van de Rede, dat, naar tijd en plaats bijzonder de leden en begunstigers der Vereeniging voor Hooger Onderwijs raakt, zou ik, al deed de redenaar, zooals ik hem op 4 Juli in Haarlem hoorde en zag, mij ook nog in niets aan „seniele aemechtigheid" denken, willen noemen het „geestelijk testament van den vader onzer Vrije Universiteit".

Maar men leze en herleze zelf Een Geloofsstuk.

Sluiten