Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

403

JAARTAL 1913

Een rijke Bond, door Vonkenberg, wij hoorden het reeds, „letterlijk in elkaar getooverd"; zeker. Maar, als men van deze naaste oorzaak tot een verder liggende opklimt, dan ligt achter de werking van „den eenigen President", de werking van het weer oplevend Calvinisme, en dat doet den redenaar uitjubelen: „Wat nu op mijn ouden dag niet 't minst mijn levensvreugd en mijn glorie uitmaakt, het is dat de Calvinistische beweging ook onze Gereformeerde jongelingen zoo schier tooveracbtig vooruit hielp."

Doch, gelijk er van het weeroplevend Calvinisme een werking uitging op den Bond, zoo ook van den Bond op het weeroplevend Calvinisme.

Had de redenaar in het begin verzekerd: „En nog staan we pas aan het begin der weeropleving en spelt een profetie, die niet feilen kan, van nog zooveel grooter dingen als ons te wachten staan in de toekomst", — later doet hij zijn jubileerend gehoor verstaan hoe ook van hèn de voortzetting dier wederopleving wordt verwacht.

Onze in Bond saamgesnoerde gereformeerde jongelingen, „dat geslacht waar straks mannen van stavast uit zullen groeien", zij zijn „de recruten, die straks onze heirscharen zullen vormen". „Een geslacht dat ons evenaren, vervangen en overtreffen zal, als wij er niet meer zijn". „Bedenkt het toch", zoo roept Dr. Kuyper elders in zijn Rede deze recruten toe, „uit uw kring moeten na twee dozijnen jaren mannen van alle gading, van elk beroep, op elk terrein des levens voortgekomen zijn". En weer elders worden de Gereformeerde Jongelingen begroet „als een keurbende, die nu reeds gewicht in de schaal legt en in de toekomst aan de kruisbanier den doorslag ter overwinning kan geven".

Maar Dr Kuyper wijst er niet alleen op hoe het behoort, maar ook hoe het komen kan.

Hij bezielt zijn jubileerende Jongelingen niet alleen voor hun taak als goede anti-revolutionairen, maar zegt ze ook hoe ze die taak kunnen vervullen.

En daartoe dient dan het Salomonisch-Apostolisch woord, dat hij in de Feestvergadering van den Bond van Gereformeerde Jongelingsvereenigingen heeft doen uitgaan.

Er staat in Satomon's Spreuken (20 : 29): „Der jongelingen sieraad is hun kracht" en er staat in den lsten brief van den Apostel Johannes (2 : 14): „Ik schrijf u, o, jongelingen, want, gij zijt sterk, want gij hebt den booze overwonnen en het woord Gods blijft in u".

In deze twee Schriftwoorden ligt de ééne gedachte van de kracht der jongelingen en daarom kon de redenaar ze dan ook verbinden en voor zijn gehoor daaruit ontwikkelen wat hij te zeggen had.

Het Salomonische Woord spreekt van niets anders dan van lichamelijke kracht. Het is, zooals Kuyper zegt, „een echt sober natuurwoord", dat hij ook als zoodanig zijn gehoor inprent. „Op deze lichamelijke ontwikkeling is 't hier dus eerst gemunt. Op een frisch gezond uitzien. Op nog slanke, maar niettemin reeds sterke been- en armspieren. Op een oog dat ge beslist op durft slaan".

Naar deze lichaamskracht, sieraad van den jongeling, naar dit

Sluiten