Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

447

JAARTAL 1917

land uitbrak. De nieuwe wet op 't Hooger Onderwijs toonde, aan wat slavenband men de ontwikkeling der jongere geslachten wilde vast leggen. Van een binden van het Hooger Onderwijs aan den Christus was geen sprake meer; 's menschen geest zou voortaan eeniglijk het hooger-op gaande onderwijs bezielen.

Geen wonder, dat op zoo kritiek oogenblik in onze vaderlandsche. historie geest scherp tegenover geest kwam te staan, en een heilig enthousiasme onze mannen tot kloek en doortastend optreden aandreef. Spreek ook nu nog met de geloofshelden van het toenmalig geslacht, en ge geniet in hun toenmalige beslistheid, in hun kloek aandurven, en in hun aan alle aarzelen gespeende optreden.

Maar langer dan dertig jaren duurt het vrije leven van zulk een geslacht niet. Die schoone periode van het eerste heroïsme ligt nu reeds verre achter ons; en in de tweede periode waarin we thans verkeeren, is bij de jongeren veelal zelfs vergeten, wat in de eerste periode bezielde als het echte schoon.

Wie thans met de jongeren sprak, merkte al spoedig, dat ze zelfs in de feiten waarin eertijds onze glorie sprak, niet meer inleefden. Zoo ging 't steeds met wat het leven geestelijk beroerde en door die beroering verrijken moest.

Vergelijk maar onze vaderlandschen toestand van 1648, toen de Vrede van Munster geteekend werd, met het moment waarop, bijna een eeuw vroeger, prins Willem tegen Spanje doorbrak, en het was immers voor wie Cats met onze Geuzen liedekens vergeleek, een afkoeling en verproza-eering, die u nog onze rijke historie terugwenschen doet. Het zou dan ook best te verstaan zijn geweest, zoo ook in onzen universitairen kring de thermometer van zeventig op veertig ware gedaald, en het eerst zoo jonge kruid van het hooggespannen enthousiasme der verdorring nabij scheen.

Mij persoonlijk vooral sprak dit zoo serieus toe, omdat ik zelf in mijn studiejaren 't zoo veelzijds doorleefd had, hoe juist de studentenjaren onvast maken en er toe doen neigen, om van de stalen beginselen naar de scheppingen van 't spelende vernuft over te glijden.

De zielsverwrikking die nog in mij nawerkt, als ik terugdenk aan den ongeestelijken overmoed, waarin ik toen uitgleed, kan zelfs op mijn ouden dag nog zoo bang zijn. Ik heb te Leiden warm en luid mee geapplaudiseerd, toen de toenmalige hoogleeraar Rauwenhoff op zijn publiek college brak met alle geloof aan Jezus' verrijzenis, iets waar zelfs Scholten destijds nog aan vasthield. En nu van achteren kan mijn ziel nog beven over den smaad dien ik toen mijn Heiland aandeed.

Daarom is het mij in 't minst niet vreemd, er op in te leven, hoe ook onder de studenten der Vrije Universiteit zoo licht een gisten en raden kon opkomen, dat met het Calvinisme niet overweg kan, en er daarom langs allerlei sluipwegen aan zoekt te ontkomen.

Men komt dan in aanraking met andere jongelui, die erin roemen, dat ze ethisch, en ten deele zelfs half-modern zijn. Daar komt dan de prikkel van soms zeer sterke verleiding uit op. Een Calvinist heet dan een naprater, en die ethische jonge man is dan een zelfstandig

Sluiten