Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1917

450

Tijdens de Doleantie schreef de Hoofdredacteur van De Heraut: „Op enkele uitzonderingen na, behooren verreweg de meeste Lokaalbezoekers tot de „kleyne Luyden" van Prins Willem" (nr. 475). — „Het is nu eenmaal niet anders, de Gereformeerden zijn altoos te zoeken onder den „kleinen man", terwijl de meergegoede Christenen steeds en in alle landen zich bijna zonder uitzondering van het Calvinisme afkeerig hebben betoond. Ook nu weet men vooruit, dat de Gereformeerden ook hier te lande steeds zullen zijn en blijven „de kleyne luyden" van Prins Willem den Zwijger" (nr. 487). — „De „gescheiden"-broeders, de „Ledeboerianen", de „Dijkianen", de „Backerianen", en zoo ook nu weer de Doleerenden, vindt ge zeker voor »/io onder de kleine lieden, terwijl bijna al wat aanzienlijk en groot en geleerd is, partij tegen de Calvinisten kiest en op alle manier hen dwarsboomt" (nr. 488).

Aan Jhr. Mr. W. F. Rochussen schreef Dr. Kuyper in De Standaard van 18 Januari 1893, dat hij zijn beide handen uitgestrekt had, de eene naar omhoog naar de mannen van adel en positie, de andere naar omlaag naar de kleyne luyden van Prins Willem. Omlaag was de hand met warmte aangegrepen. Omhoog was de handdruk meest koeler; straks werd ze misschien losgelaten. Maar wat ook de toekomst mocht brengen, nooit zou men kunnen zeggen, dat Dr. Kuyper de mannen van hooger positie niet gezocht had, noch ook dat de kleyne Christen-luyden hun niet tot het uiterste toe eere hebben willen geven, ja meer nog, hun de liefde hebben willen geven van hun hart.

In zijn openingsrede ter Deputatenvergadering van 2 November 1916 (De wortel in de dorre aarde) verklaarde hij, dat we als Antirevolutionairen ons niet schaamden voor het devies van de „kleyne luyden", ons door Prins Willem in onze banier geborduurd.

En nu, op 23 November 1917 was zijn Deputatenrede, onder het motto van 1 Corinthe 1 : 27, zelfs geheel aan dit onderwerp gewijd, met het oog op de radicale omgieting, waarmee de nieuwe Kieswet onze Antirevolutionaire partij in het fundament zelf van haar bestaan bedreigen kwam:

Voere mijn rede daarom ten titel: ,JDe kleyne luyden". Immers juist in die „kleyne luyden" school van oudsher en tot op dit oogenblik toe; onze kracht, om weerstand te bieden en stand te houden... Wat vaste hope had niet aanvankelijk Prins Willem van Oranje op de Edelen uit zijn dagen gevestigd, en hoe jammerlijk liep 't toch niet al op bittere teleurstelling uit, tot tenslotte alleen de „kleyne luyden" hem getrouw bleven, schier enkel kleine luyden, niet dan door zeer enkelen uit de mannen van naam gerugsteund. Zoo was het toen, zoo is het nu, en zóó en niet anders zal het in de toekomst blijven. Wees niet Christus zelf reeds op den afval, waartoe Mammon straks verlokken zou, en waarschuwde niet de groote Apostel ons, dat tenslotte niet wat groot en machtig is naar de

Sluiten