Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1918

454

wat nog sterker is, de iets oudere broeder van mijn tateren intimus, de bekende Haagsche rector Dr J. Rutgers, die al spoedig met alle geloof gebroken had, stond mij aan de Academie veel nader, dan de man, die ons het laatst ontviel. Nu was dit in zooverre verklaarbaar, dat ik zelf in die periode van mijn studentenleven schier geheel aan alle geloof ontrouw werd, maar 't blijft me toch van achteren steeds teleurstellend aandoen, dat ik met mijn besten en trouwsten vriend reeds van 1848 af in contact kwam, en dat toch eerst midden der zeventiger jaren onze harten elkaar gevonden hebben.

Doch toen de magnetische trekking begon, werkte ze dan ook snel door. Niet Rutgers was veranderd, veeleer was hij streng consequent en met zijn verleden identiek gebleven. De ommekeer, en wel de radicale ommekeer had niet in zijn maar in mijn bewustzijn plaats, en nauwelijks begon Rutgers dit te bespeuren, of hij zocht mij, en als vanzelf sloot ik mij met onverbrekelijk contact bij hem aan.

Te meer stelde ik dit op prijs, omdat we maar half één waren en in onze andere helft schier geheel uiteenliepen.

Er was in Rutgers' persoonlijkheid een in het oog loopende tegenstrijdigheid, iets wat ge aanstonds doorzaagt, als ge hem eenerzijds hooren mocht bij een interessant dispuut of bij een feestmaal, en anderzijds op zijn studeerkamer tobben zaagt met wat van zijn hand naar de pers moest.

In veel landen was ik, en met veel interessante personen mocht ik van nabij kennis maken, maar nergens en nimmer zag ik in éénzelfden persoon een zoo stramme gebondenheid en een zoo pétillante losheid van uiting saamwonen, als in hem.

Wie het voorrecht had hem bij dispuut in kerkeraad, classis of senaat en zoo ook op vergaderingen van wetenschappelijken of feestelijken aard te mogen beluisteren, werd telkens opnieuw getroffen door de boeiende gemakkelijkheid waarmee woord na woord, volzin na volzin hem van de lippen gleed, door den lossen, vaak beeldrijken stijl, waarin hij zijn gedachten formuleerde, en door den fijnen glimlach die tot zelfs in zijn ernstigste betoog doortrilde. Hij pakte zijn hoorders, hij sleepte ze mee, en in dispuut of toast, Rutgers bekoorde wie naar hem luisterde. En dit alles ging geheel vanzelf, hij worstelde niet met zijn volzinnen. Het geheugen droeg 't woord niet, maar 't kwam als vanzelf. En als men hoorde dat Rutgers het woord kreeg, spitste een ieder de ooren.

En toch, als het op schrijven aankwam wilde bij dezen zelfstandigen denker de pen maar niet vooruit; een niet genoeg te betreuren contradictie, die 't teleurstellend feit verklaart, dat Rutgers ons niet dan een zoo uiterst kleine bibliotheek van eigen schriftuur achterliet Wat we in onze boekerij van hem plaatsen mochten, was keurig, zaakrijk en in verrassenden stijl, maar 't was zoo klein in tal en omvang.

Ook hij doorleefde met ons Calvijn's vierde eeuwgetij, en zoo iemand, dan was hij de man, die met Calvijn zich geestelijk identiek gevoelde, heel Calvijns denkwereld in zich had opgenomen, en als zijn alter ergo hem ons in 't zuiverste beeld had kunnen schetsen, en

Sluiten