Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

461

JAARTAL 1919

lingsch verband hiermede moest daarnaast de sociale, intellectueele en artistieke ontwikkeling aan het woord komen.

Hieraan moest te meer vastgehouden, omdat die bijkomende ontwikkeling op sociaal, intellectueel en artistiek gebied geen eisch was die aan allen kon gesteld. Het geloof en wat met het geloof in onmiddellijk verband stond, gold voor een ieder. Op het dorp even stellig als in de stad. In de lagere sociale kringen even beslist als in de aanzienlijker gezelschappen. Bij het geloof betrof het een vraagstuk, dat voor alle gedoopten gold, en bijna zonder uitzondering kon staande gehouden, dat wie als jongeling zich niet in de Schrift thuis zette en tot den grondslag van zijn geloof doordrong, ook in Christelijke plichtsbetrachting te kort schoot. De roepstem die ook onder ons tot de ouders uitgaat, om zonder onderscheid al hun zoons en dochters op deze paden van rijker geloofsontwikkeling te leiden, moet daarom allerwegen, onder alle rangen en standen, doordringen, en het van meet af gezochte einde zal eerst dan bereikt zijn, als tenslotte de jongelingen en jongedochters uit heel het Christelijk Nederland ter verrijking en vernieuwing van hun geloofsleven aan dit geestelijk vereenigingsleven sterkte weten te ontleenen.

Ditzelfde gaat daarentegen niet door voor de Christelijke ontwikkeling op het terrein van sociale, intellectueele en artistieke rijping. Het meest nog op 't sociaal gebied, al is het dat op dit gebied de gezonde rijping der gedachten veelal eerst bij de gehuwden en bij de ouderen van leeftijd intreedt. Doch hoezeer deze verschillen tusschen persoon en persoon en tusschen stand en stand, ook telkens ineenvloeien, verschil is er toch, en, hierop lette men. Ge kunt voor zeker vaststellen, dat de jongelingen en jongedochters, die in staat zijn om op sociaal, intellectueel en artistiek gebied tot zelfs op de heuveltoppen te vérkeeren, nauwelijks op één tiende van het geheel mogen geschat worden.

Dit nu is de beweegreden, die 't bijna niet toelaat, om de sociale, intellectueele en artistieke ontwikkeling, waarop hier gedoeld wordt, rechtstreeks met de Jongelingsvereeniging te verbinden op zulk een wijze, dat dit alles een deel van haar eigen actie zou uitmaken. Dit toch zou aanstonds het bedenkelijke gevolg hebben, dat in een zelfde Jongelingsvereeniging, zeg van honderd leden, slechts een 40% hooger op konden, terwijl de overblijvende 60 % zich tegenover eene klasse medeburgers zou geplaatst bevinden, die allicht uit de hoogte op hen neder zag.

Met het oog hierop nu scheen het ons van meetaf gewenscht, de eigenlijke Gereformeerde Jongelingsvereeniging te laten blijven wat ze dusver was, zoodat uit alle rangen en standen de geloovige jongelieden zich in deze Vereenigingen saam konden vinden, om er eeniglijk het geestelijk belang in na te jagen. Dan kon men ook in deze Vereenigingen wel zeker onderscheid, desnoods zelfs zekere klassen van meerdere of mindere ontwikkeling toelaten, maar 't moet dan toch blijven zooals het in de Kerk en zooals .het steeds bij het H. Avondmaal is: Eén saamgaan van wie in de belijdenis van den Christus het zuivere pad kozen.

Sluiten