Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INVORDERING.

Tekst der wet van 22 Mei 1845, S. no. 22, V. v.V. no. 140, sub I,

zooals die luidt na de wijzigingen, welke daarin zijn gebracht door latere wetten.

Art. 1. De invordering der directe belastingen geschiedt krachtens de door den directeur der directe belastingen (1) executoir verklaarde en door het hoofd van het plaatselijk bestuur afgekondigde kohieren.

De afkondiging houdt in, dat het kohier aan den ontvanger ter invordering is ter hand gesteld en dat ieder verplicht is zijnen aanslag, op den bij de wet bepaalden voet, te voldoen.

Van de afkondiging en overgave van het kohier wordt, door het hoofd van het plaatselijk bestuur, aanteekening gedaan op het kohier, met vermelding van den dag waarop een en ander is geschied.

1. Gewijzigd volgens art. 1 der wet van 15 Juli 1869, S. no. 133, V. v. V. no. 140, sub III.

Art. 2. Na de overneming van het kohier, zendt de ontvanger, zoodra mogelijk en kosteloos, aan ieder belastingschuldige een gedagteekend aanslagbiljet, bevattende den naam van den belastingschuldige, mitsgaders aanwijzing van het bedrag van den aanslag, van de plaats van betaling, van de dagen en uren waarop de ontvanger zitting hoüdt, van den ambtenaar of het college, bij welke de bezwaarschriften kunnen worden ingediend, en van den termijn daartoe bij de wet bepaald, en, eindelijk, uitnoodiging tot betaling vóór of op de vervaldagen, op straffe van vervolging.

Wanneer, wat de grondbelasting betreft, de belastingschuldige niet woont in eene der gemeenten tot het kantoor van ontvangst behoorende alwaar hij is aangeslagen, kan het aanslagbiljet worden toegezonden aan den huurder,' pachter of bruiker, of, tot meerdere perceelen betrekking hebbendé, aan den huurder, pachter of bruiker van dat gedeelte der goederen, hetwelk, volgens de registers van het kadaster, het hoogste inkomen oplevert, mits zoodanige huurder, pachter of bruiker in eene van die gemeenten woonachtig zij.

Art. 3. De ontvangers zijn verplicht voor iedere betaling onmiddellijk quitantie op het aanslagbiljet te stellen.

Indien het aanslagbiljet in het ongereede mocht zijn geraakt, moet een duplicaat van hetzelve opgemaakt en, tegen betaling van vijf cents, behalve het zegelrecht, indien de quitantie daaraan onderworpen is, aan den belastingschuldige uitgereikt worden.

Art. 4 (1). De toerekening en afschrrjving der betalingen geschiedt in de navolgende orde:

1°. op de kosten van schatting, telling of herziening en van vervolging, zoo die verschuldigd zijn;

Sluiten