Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

Wet, Art. 1; Instructie, § 1.

res. V. 1909, no. 46, en krachtens het Kon. besluit V. v. V. no. 504 en de res. V. v. V. no. 505 (zie deel X der Vakstudie, blzz. 147—149).

Een voorloopig kohier, waarvan voor het patentrecht een model werd vastgesteld bij de res. V. 1853, no. 17, gewijzigd bij de res. V. 1861, no. 82, en voor de bedrijfsbelasting bestendigd bij de res. V. 1894, no. 42, behoeft voor de inkomstenbelasting niet te worden aangelegd, aangezien daaromtrent in de betrekkelijke voorschriften niets is bepaald.

Ook voor de personeele belasting is het aanleggen van een voorloopig kohier niet voorgeschreven.

Omtrent de vraag of er conservatoir beslag kan worden gelegd, zonder dat een kohier bestaat, wordt verwezen naar aant. 115 op aiC 14 hierna.

Zie, nopens de vraag of oppositie kan worden gedaan tegen de afgifte van kooppenningen, zonder dat een kohier bestaat, aant. 4 op art. 457 W. v. B. R. (bijl. D).

8. De omstandigheid, dat een aanslag of gedeelte van een aanslag in een directe belasting, als oninbaar is afgeschreven, is geen beletsel om het bedrag, indien de gelegenheid zich aanbiedt, alsnog bij dwangbevel in te vorderen. Res'. van 28 Febr. 1910, no. 20; zie B. no. 791.

Verg. § 107, lett. b, en § 123 der instructie, opgenomen in bijl. A.

9. Over de executoir-verklaring van kohieren komt een artikel voor in Fiscus no. 72.

§ I der instructie (10). De aanslagsregeling (11—14) behoort zooveel mogelijk te worden bespoedigd en moet in elk geval zóó tijdig zijn afgeloopen, dat de primitieve kohieren (15) der personeele belasting executoir worden verklaard vóór 1 Mei en dat die der inkomstenbelasting worden vastgesteld, voor zooveel betreft de aanslagen waarvoor de medewerking van den inspecteur der registratie noodig is (16), vóór 1 November, en wat de overige aanslagen aangaat vóór 1 September. Ten aanzien van de aanslagsregeling der grondbelasting wordt verwezen naar de ter zake gegeven bijzondere voorschriften (17—21).

De kohieren moeten met de noodige nauwkeurigheid en netheid worden opgemaakt (22—25).

10. Gewijzigd volgens § 90 der Instructie Inkomstenbelasting.

11. Voor de aanslagsregeling wordt verwezen naar art. 14 der Wet op de Grondbelasting, art. 49 der Wet op de Personeele belasting en art. 69 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914.

IS. De aanslagsregeling der grond- en personeele belasting wordt door het College van Zetters ten einde gebracht binnen den tijd, daartoe door den Commissaris in.de provincie te bepalen. Verg. art. 14 der wet van 5 April 1870, S. no. 63, V. v. V. no. 140, sub IV.

13. Indien, in zake de aanslagsregeling voor de inkomstenbelasting, een Schattingscommissie haar werkzaamheden niet tijdig aanvangt en ten einde brengt, kan de Voorzitter door den Directeur der directe belastingen worden gemachtigd om die werkzaamheden alleen af te doen. Zie art. 63 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914.

Voor de Commissie van aanslag ontbreekt zoodanige bepaling.

14. Met betrekking tot het inzenden van opgaven, betreffende den stand der werkzaamheden in zake de aanslagsregelihg voor personeele-

Sluiten