Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet, Art. 4.

47

die verzuimd heeft bg de invordering van belasting, tevens de vervolgingskosten te innen, niet het recht heeft voor die kosten een nieuwe vervolging aan te vangen, noch om deze bij civiele actie van den belastingschuldige in te vorderen. Iu anderen zin wordt geantwoord in Weekblad no. 2076.

5. De bepaling van art. 4 der wet, ten doel hebbende, ten aanzien der aldaar vermelde regeling, niet den belastingschuldige, maar den Ontvanger een recht toe te kennen, geeft dezen ambtenaren ongetwijfeld bevoegdheid, om aangeboden betalingen tot kwijting der oudste aanslagen te doen strekken, zonder dat de belastingschuldigen uit het niet in acht nemen dezer orde eenig gevolg kunnen afleiden. Res. van 18 Mei 1849, no. 75; zie Off. V. 1855, no. 3, blz. 17.

Bij een opvolgende res. van 22 Mei 1849, no. 23 (zie Off. V. 1855, no. 3, blz. 17), is dan ook te kennen gegeven, dat bij aanbod van betaling, de Ontvanger bevoegdheid bezit, om, bij toepassing van art. 4, de betaling te affecteeren als bij dat artikel is aangewezen, en dat hij, wanneer de belastingschuldige, wien de wet geen recht van imputatie (a) heeft toegekend, een andere orde mocht verlangen, tot regel kan nemen, om daarin niet te bewilligen, ofschoon hij, hetzij bij of zonder vergissing, gelden aannemende over een later dienstjaar, terwijl het vroegere nog niet aangezuiverd is, daardoor in geenen deele zijn recht van verhaal verliest.

(a) Zie art. 1432 B. W., alsmede de volgende aanteekening.

6. Volgens het gemeene recht beslist de schuldenaar van meer dan een schuld, tot voldoening van welke dier schulden hij de betaalde som wil doen strekken (art. 1432 B. W.). De schuldeischer heeft dus in zake toerekening der kwijting geen stem, alleen kan hij eischen, dat de betaling in de eerste plaats diene tot aflossing van de interessen, afgeworpen door de verschuldigde hoofdsom (art. 1433 B. W.), terwijl uit art. 1430 B. W. volgt, dat de schuldeischer geen kwijting behoeft aan te nemen van een termijn als vroegere termijnen open staan.'

In fiscale zaken geldt niet de wil van den schuldenaar, maar gelden de bepalingen der wet. Art. 4 der wet .van 1845 bepaalt, dat de toerekening en afschrijving der betalingen van directe belastingen geschiedt: a. op de kosten, b. enz., c. op de oudste der openstaande aanslagen of vervallen termijnen. De wet bedoelt den Ontvanger een recht toe te kennen. Hij kan dus aangeboden betalingen doen strekken tot kwijting der oudsté aanslagen, maar de schuldenaar kan uit het niet in acht nemen dezer orde geen enkel gevolg afleiden.

In Fiscus no. 331 wordt met een beroep op art. 1432 B. W. gesteld, dat de Ontvanger wel betaling op een jongeren aanslag kan weigeren,, maar niet tegen den wil van den betsder het aangeboden geld mag afschrijven op een oudere openstaande belastingschuld. Dit beroep op art. 1432 komt mij onjuist voor. Het daar omschreven recht, den schuldenaar in burgerlijke zaken voorbehouden, wordt hem in fiscale zaken 'uitdrukkelijk ontzegd. Het is dikwijls moeilijk af te bakenen, waar het gemeene recht wel, waar het niet van toepassing is, hier echter dunkt mij duidelijk, dat het bijzondere recht de afwijkende regeling van het gemeene recht ter zijde schuift, van Nieuwkuyk, Fiscaal Recht, § 140.

Verg. de volgende aanteekening.

T. Bij Vonnis van 19 Mei 1857 heeft de Arr. Rechtbank te Zierikzee o.a. overwogen, dat het door de verzoekster aangevoerde wettelijke vermoeden van plaats gehad hebbende voldoening van het gevorderde in casu niet aanwezig is, daar de over elk afzonderlijk jaar verschuldigde belasting niets gemeens heeft met de voorafgaande of de daarop vol-

Sluiten