Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48

Wet, Art. 4; Instructie, § 15.

gende, maar geheel op zich zelve staat, zoodat uit de kwijting van drie of meer termijnen op het verschuldigde over een dienstjaar, wel kan geput worden het wettelijk vermoeden, dat vroegere termijnen over hetzelfde dienstjaar betaald zijn, maar geenszins, dat het verschuldigde over een vorig dienstjaar is voldaan (a). Noot voorkomende in de Off. Verz. op de thans vervallen res. V. 1858, no. 30.

(a) Verg. art. 1430 B. W.

8. Bij de invordering van premiën ep interesten, verschuldigd ingevolge de Ongevallenwet 1901, geschieden de toerekening en de afschrijving van de betalingen der werkgevers in de volgende orde:

1 . op de kosten van vervolging, zoo die verschuldigd zijn; 2°. op de interesten tot den dag der betaling, indien interesten verschuldigd zijn; 3°. op de premiën.

Zie art. bOter der Ongevallenwet 1901 (bijl. C I).

§ 15 der instructie. Voor zooveel dé verschillende soorten van vervolgingskosten betreft, heeft de eene soort geen voorrang boven de andere (9). In verband daarmede moet worden aangenomen, dat, indien hetgeen op een belastingschuldige is verhaald tengevolge van de executie van een dwangbevel niet voldoende is, om daaruit de vervolgingskosten te bestrijden, elke soort dier kosten in het bedrag der opbrengst van den verkoop volgens deselfde verhouding is vertegenwoordigd als in het totale bedrag der vervolgingskosten.

Het bedrag der onvermijdelijke uitschotten van den deurwaarder, hetwelk bij toepassing van het vorenstaande niet op den belastingschuldige is te verhalen, kan aan het Eijk in rekening worden gebracht (10—12).

9. De vervolgingskosten kunnen worden onderscheiden in:

a. die, welke aan het Rijk worden verantwoord;

b. die, welke niet aan.het Rijk worden verantwoord.

Tot de laatste groep behooren alleen de uitschotten van den deurwaarder en het loon, toekomende aan getuigen en bewaarder, geen ambtenaar zijnde, noch behoorende tot de personen, die een belooning ontvangen, onafhankelijk van het resultaat der ingestelde vervolgingen (a). Verg. de §§ 18 en 26 der.I. V.

(a) In laatstbedoelde gevallen wordt hét vacatieloon der getuigen en het bewaardersloon mede aan het Rijk verantwoord.

10. Hetzelfde geldt voor het loon van getuigen en bewaarder, voor . zoover het niet op de belastingschuldigen is te verhalen of aan hen niet

wordt in rekening gebracht. Verg. de §§ 20, 22 en 23 der I. V., met aanteekeningen, in bijl. BIL

Omtrent uitbetaling en verrekening van aan het Rijk in rekening- te brengen uitschotten- en getuigen- en bewaardersloon, wordt verwezen naar de §§ 19 en 20 der L V.

11. Verg. de res. V. 1911, no. 228, in aant. 4 op § 13 der li O. (bijl. CII).

12. Voorbeeld. De opbrengst van een verkoop bedraagt / 9,—.

De belasting bedroeg ƒ21,—. De vervolgingskosten bedragën samen ƒ27,—, t. w. aan het Rijk toekomende, ƒ6,90; uitschotten van den deurwaarder, ƒ8,10; loon van getuigen en bewaarder, ƒ12,—.

De Ontvanger boekt-nu: in het journaal Compt; no. 1, als aan het Rijk vervallen vervolgingskosten, ƒ 2,30; in het register .Directe bel.

Sluiten