Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet, Artt. 4—5; Instructie, § 15.

49

no. 23, wegens uitschotten aan den deurwaarder uit te keeren, ƒ 2,70 en wegens loon voor getuigen en bewaarder, ƒ 4,— (§ 18 der I. V.).

Aan den deurwaarder wordt bovendien uitgekeerd, tegen voldaanteekening op het duplicaat van een door hem in te dienen declaratie, . Directe bel. no. 24, een bedrag van ƒ 5,40 (§ 19 der I. V.).

Aan getuigen en bewaarder wordt, tegen quitantie, nog uitgekeerd een som van / 8,—. Voor laatstgemeld bedrag maakt de Ontvanger een declaratie, Directe bel. no. 24, op (§ 20 der I. V.).

Beide declaratiën worden verrekend op den staat van oninbare posten. Zie § 107, lett. e, der instructie, in bijl. A.

Art. 5 (1—2). Iedere aanslag Is in zijn geheel verschuldigd door dengenen, ten wiens name dezelve op het kohier voorkomt (3—10).

Niettemin kunnen de verkeerde tenaamstellingen, in den loop des dienst jaars in de kohieren der grondbelasting ontdekt, welke eene verandering of splitsing van den aanslag noodig maken, bij eenvoudig bevelschrift van den directeur der directe belastingen worden hersteld.

Dat bevelschrift heeft dezelfde kracht als het executoir verklaarde kohier; hij, die zich met zijnen daarin voorkomenden aanslag bezwaard mocht achten, kan daartegen opkomen bij gedeputeerde ..staten der provincie, op denzelfden voet als voor de gewone aanslagen op de kohieren is bepaald. De termijn daartoe gaat in met den dag der kennisgeving van het bevelschrift (11).

Bij eigendoms-overgang van onroerende goederen, zijn de nieuwe verkrijgers aansprakelijk voor de grondbelasting van het loopende en het vorige jaar, wegens die goederen verschuldigd, en kunnen zij tot de aanzuivering daarvan, even als de schuldenaar zelf, rechtstreeks en in hunne eigen goederen worden aangesproken (12—14).

1. Gewijzigd volgens art. 2 der wet van 15 Juli 1869, S. no. 133, V. v. V. no. 140, sub III.

%. In art. 5 van het eerste ontwerp kwam nog de volgende zinsnede voor: „Onverminderd de uitzonderingen, daaromtrent bij bijzondere „belastingwetten gemaakt, zijn de erfgenamen, zoolang geene boedelscheiding heeft plaats gehad, behoudens hun onderling verhaal, ieder „hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk voor de aanslagen, welke, „bij het overlijden eens belastingschuldigen, onaangezuiverd worden „bevonden."

Verscheidene leden hadden hiertegen bezwaar, omdat zij de schatkist door het overlijden van eén belastingschuldige niet in beteren toestand wilden brengen, door in zoodanig geval, behalve den geheelen boedel, ook nog de eigen bezittingen van iederen erfgenaam aansprakelijk te stellen.

De Regeering trok naar aanleiding daarvan de bedoelde zinsnede in.

3. De aanslag is niet verschuldigd krachtens een uitgereikt aanslagbiljet, doch krachtens een executoir verklaard en afgekondigd of vastgesteld kohier.

4. Bij overlijden van den belastingschuldige moeten de erfgenamen, die de erfenis aanvaard hebben, ingevolge art. 1146 B. W. in de betaling der schulden zooveel dragen, als in evenredigheid staat met hetgeen ieder uit de nalatenschap ontvangt (nl. in de hoedanigheid van erfgenaam, niet in die van legataris).

Deze bepaling geldt ook voor directe belastingschuld (a).

Invordering.

4

Sluiten