Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet, Art. 5; Instructie, § 16.

51

9. Bij Vonnis van de Arr. Rechtbank te Dordrecht van 19 Aug. 1850, is het beginsel aangenomen, dat de deelgenoot eener firma solidair aansprakelijk is voor de te haren name gestelde aanslagen. Aanteekening op § 17 der Off. Verz. 1855, no. 3.

Zie voorts het Vonnis van de Arr. Rechtbank te Amsterdam van 27 Oct. 1847, in aant. 14 op art. 15.

Verg. ook art. 18 van het Wetboek van Koophandel.

19. De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door het indienen van een bezwaarschrift tegen den aanslag. Verg. art. 10.

11. Zie art. 51 der Wet op de Grondbelasting.

1%. De grondbelasting is dus verhaalbaar zoowel op de roerende als op de onroerende goederen van den nieuwen verkrijger.

's Rijks schatkist heeft daarbij recht van voorrang op het onroerend goed, waarop de te verhalen aanslag betrekking heeft.

Deze voorrang strekt zich nl. uit tot het goed zelf, onverschillig of het tijdens de executie aan den op het kohier voorkomenden belastingschuldige of aan een ander toebehoort. Zie art. 12 hierna. Verg. Fiscus no. 871 en Weekblad no. 2121.

In van Nieuwkuyk, Fiscaal Recht, § 222, wordt evenwel betoogd, dat de voorrang niet geldt tegen de nieuwe verkrijgers.

13. Het recht om den nieuwen verkrijger, overeenkomstig het laatste lid van art. 5 der wet van 22 Mei 1845, S. no. 22, aan te spreken, is niet afhankelijk gesteld van een voorafgaande poging om de verschuldigde belasting op den vroegeren eigenaar te verhalen. Prov. verslag Noord-Holland over 1906; zie Weekblad no. 1853.

Verg. het derde lid van § 20 der instructie, en aant. 29 hierna.

14. Sommige leden van de Tweede Kamer hadden bezwaar tegen het laatste lid van art. 5. De Regeering verdedigde deze bepaling met de opmerking, dat de onroerende goederen tot dusverre, krachtens de wet van 11 Febr. 1816, S. no. 14, gedurende twee jaar hypothecair waren verbonden (a). Deze wet vervallende, was een nieuwe bepaling noodig om aan het Rijk waarborgen te verschaffen. Indien al de belastingschuldige mocht verzuimen om te betalen en de Ontvanger om te vorderen, niets belet den kooper om zich de quitantiën te doen vertoonen, of zich andere waarborgen te verschaffen, voordat hij zich van de kooppenningen ontdoet. Ook hier is de wettelijke subrogatie niet twijfelachtig. Mem. v. A.

(a) Bij de artt. 9, 15, 19 en 22 der aangehaalde wet van 11 Febr. 1816, 8. no. 14, werd aan den Staat toegekend een recht van legaal verband, zonder verplichting om het te doen inschrijven, op de onroerende goederen der belastingschuldigen: 1°. voor de grondbelasting en additioneele verhoogingen, 2°. voor de personeeleen mobilaire belastingen, 3°. voor het recht op de deuren en vensters en 4°. voor het verschuldigde in het recht van patent.

Deze rechtsinstelling echter uit ■ het hypothecair stelsel vervallen zijnde, het werd nL niet in ons Burgerhjk Wetboek overgenomen, kon men niet aan de schatkist toekennen, wat aan minderjarigen en vrouwen is ontzegd geworden en voor geen praotische aanwending meer vatbaar is. Mem. v. T.

Krachtens art. 290 der Algemeene wet, V. v. V. no. 70, hadden de Ontvangers ook het recht van legaal verband op de onroerende goederen van hen, die wegens accijns personeelen borgtocht hadden gesteld. Ingevolge de res. van 30 Januari 1841, no. 109, V. no. 12, werd sedert ook van deze bepaling geen gebruik meer gemaakt.

16 der instructie. Verkeerde tenaamstelling in de kohieren bestaat:

Sluiten