Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet, Art. 7; Instructie, §§ 22 —24.

67

: 24. De betaling kan geschieden, zoowel ten kantore van den Ontvanger, die de vordering heeft opgemaakt, als ten kantore van den Ontvanger, door wiens tussehenkomst zij is beteekend. Verg. het model I.

§ 23 der instructie. De ontvanger houdt van de vorderingen aanteekening in een register Directe Belastingen no. 25. Daarin boekt hij, zoowel de door hem opgemaakte vorderingen, als die, welke hij van ambtgenooten heeft ontvangen (25—26).

25. De registers Directe bel. nos. 25, 26, 27, 28 en 29, bedoeld in de §§ 23, 35, 47, 57 en 75 der Instructie Invordering, behoeven niet jaarlijks te worden vernieuwd. Het wordt aan de Ontvangers overgelaten de registers, waarvoor het materieel in titels en inlegvellen wordt verstrekt, tot zoodanigen omvang aan te leggen, als zij, in verband met het gebruik daarvan, het meest practisch zullen oordeelen. Res. van 24 Januari 1913, no. 10.

26. Het volgeschreven register Directe bel. no. 25 wordt ingezonden na verloop van vijf jaren — het jaar, waartoe het laatstelijk betrekking heeft, niet medegerekend. Res. V. v. V. no. 601, § 19.

Het register Directe bel. no. 25 is opgenomen onder de modellen, achteraan in het werk.

§ 24 dér instructie. De verplichting tot betaling der belastingschuld volgens dit artikel rust in het algemeen niet op alle schuldenaars van een belastingschuldige, maar behalve op degenen, die in het artikel zijn genoemd, alleen op hen die gezegd kunnen worden gelden te zijnen behoeve onder zich te hébben.

Afgezien van uitdrukkelijk in art. 7 vermelde personen, moet dus van de vordering alleen gebruik worden gemaakt waar het geldt houders van penningen, die aan den belastingschuldige toébehooren. Zij moet derhalve niet worden gedaan aan iemand, die tegenover den belastingschuldige een gewoon schuldenaar is, zooals b.v. de werkgever tegenover den werkman. Een gewoon schuldenaar kan niet beschouwd worden als ten behoeve van zijn schuldeischer het verschuldigde onder zich te hebben (27—38).

2T. Het hier bepaalde is in overeenstemming met het Arrest van den Hoogen Raad van 1 Juni 1900, in aant. 9 hiervoor.

28. Aan de uitdrukkelijk in art. 7 genoemde personen kan dus een vordering worden beteekend. Zij zullen daaraan moeten voldoen, indien zij als zoodanig penningen onder zich hebben.

Daarentegen moet, naar het voorkomt, aan een notaris geen vordering worden beteekend voor belasting, verschuldigd door zijn klerk. Verg. het hoofdartikel in Fiscus no. 638.

29. Krachtens art. 7 kan een vordering worden gedaan aan de Directie der Rijkspostspaarbank, voor belasting, welke door de inleggers verschuldigd mocht zijn (a).

Bij een res. van 11 Maart 1902, no. 43, werd echter indertijd voorgeschreven dat zoodanige vordering niet dan in zeer bijzondere gevallen en alleen met machtiging van. den Minister behoort te worden ingesteld.

(a) Gelden, geplaatst in de Rijkspostspaarbank, zjjn vatbaar voor beslag. Arrest van den Hoogen Raad van 3 Dec. 1896; zie Fiscus no. 415, blz. 424.

Sluiten