Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

72

Wet, Art. 7; Instructie, §§ 25—26.

Aangezien de belasting preferent is, wordt deze, in geval van akkoord, dus steeds ten volle uitbetaald.

(o) Mocht het geval zich voordoen, dat de plaatsing op de lijst van voorloopig erkende schuldvorderingen verzuimd is, en dit niet is opgemerkt, dan is verzet tegen de uitdeelingslijst nog mogelijk. Weekblad no. 2080.

Verg. aant. 1 op art. 186 der Faillissementswet, in bijl. E.

Over „Verzet tegen een uitdeelingslijst bij faillissement" komt een artikel voor in Weekblad no. 2153. Zie ook De Invordering nos. 3, 4 en 22.

50. Bij een res. van 22 Aug. 1901, no. 43, werd te kennen gegeven, dat de Ontvangers moeten eischen; dat de betaling door den curator geschiedt ten kantore van den Ontvanger. Blijft een curator weigerachtig om aan den eisch des Ontvangers te voldoen, dan behoort hij bij deurwaardersexploot (na gehouden overleg met den Rijksadvocaat) daartoe te worden aangemaand, in welk geval de Minister daarmede in kennis moet worden gesteld.

Het uitbrengen van zoodanig exploot kan achterwege blijven in het bij art. 192 der Faillissementswet bedoelde geval, betreffende betaling na insolventie des boedels.

De bewoordingen van dat artikel (a) schijnen op het aangelegen punt eenige plaats voor twijfel over te laten, terwijl de quaestie zelve na verloop van ééne maand komt te vervallen.

(o) De tweede zin van art. 192 bepaalt namelijk, dat de uitkeeringen, waarover niet binnen ééne maand is beschikt of welke ingevolge art. 189 gereserveerd zijn, door den curator in de kas der gerechtelijke consignatièn worden gestort. In zoodanig geval zal de Ontvanger met den beheerder dier kas omtrent de uitbetaling in overleg moeten treden.

51. Is geen akkoord aangeboden, is het aangeboden akkoord verworpen of is de homologatie definitief geweigerd, m.a.w., komt de boedel in staat van insolventie te verkeeren (a), dan herkrijgen de schuldeischers, ingevolge art. 195 der Faillissementswet, door het verbindend worden der slotuitdeelingslijst voor hun vorderingen, in zoover deze onvoldaan zijn gebleven, hun rechten van executie op de goederen van den schuldenaar.

Dit geldt ook voor belastingschuld. Weekblad no. 1868.

Verg. het slot van aant. 49 hiervoor, alsmede aant. 8 op art. 14 hierna.

Zie mede aant. 7 op art. 9.

(o) Verg. art. 173 der Faillissementswet, met aant. 1, in bgL E.

5%. Over opheffing van het faillissement, wegens gebrek aan actief, handelen de artt. 16—18 der Faillissementswet.

53. Een instructie voor de Rijksadvocaten is vastgesteld bij het Kon. besluit V. 1908, no. 14, gewijzigd bij de res. V. v. V. no. 522.

Zie, omtrent het inwinnen van adviezen van Rijksadvocaten door Inspecteurs en Ontvangers, de res. V. 1908, no. 19.

§ 26 der instructie. De boedel van een in staat van faillissement verklaarden belastingschuldige is ook aansprakelijk voor belastingschuld, voortvloeiende uit een kohier, dat eerst is afgekondigd na den dag der faillietverklaring, mits vóór dat tijdstip de belastingplicht is aangevangen (54—56).

54. Volgens art. 24 der Faillissementswet ontstaan uit verbintenissen, door den schuldenaar na de faillietverklaring aangegaan, geen aanspraken tegen den faillieten boedel, dan voor zooverre deze ten gevolge daarvan is

Sluiten