Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet, Artt. 8—9; Instructie, § 28.

75

De aanslagen tot navordering van belasting zijn in eens invorderbaar twee maanden na de verzending van de uitnoodiging tot betaling. Alsvoren, art. 45/?, eerste lid.

5. De kosten van hermeting en van herziening der schatting in zake ' grondbelasting, zijn in eens invorderbaar.

Het betreft hier nl. geen ten kohiere voorkomende belasting. Fiscus no. 640.

6. Iedere termijn is eerst vorderbaar na het einde der maand, dn laatste dus in den loop der laatste maand van het dienstjaar. Mem. v. A.

7. Directe belasting, elders verschuldigd dan ten kantore, waaronder de belanghebbende woont, kan op dat kantoor betaald worden, mits in ééns en:

a. wat de grondbelasting betreft, vóór 1 Juni van het belastingjaar;

b. wat de personeele belasting betreft, vóór het einde der derde maand volgende op die, Waarin het kohier is afgekondigd;

c. wat de inkomstenbelasting betreft, vóór het einde der derde maand volgende op die, welke in de dagteekening van het aanslagbiljet is vermeld. Res. V. 1901, no. 96, § 1, eerste lid, aldus vastgesteld bij § 90 der Instructie Inkomstenbelasting.

De termijn sub b geldt ook voor elders verschuldigde tiendrente, voorkomende op een na 1 Febr. van het belastingjaar afgekondigd suppletoir kohier. Res. V. 1909, no. 93.

§ *8 der instructie (8). Het eerste lid van dit artikel behoort ook te worden toegepast ten aanzien van voljaarsche aanslagen op een suppletoir kohier voorkomende (9—10).

8. Gewijzigd volgens § 90 der Instructie Inkomstenbelasting.

9. Voor de personeele belasting behooren de aanslagen over 12 maanden, in verband met het vervallen van termijnen van betaling, in het algemeen niet te worden opgenomen in hetzelfde kohier met die naar tijdsgelang; dit kan echter wel geschieden bij afkondiging van het kohier'na 30 November. Res. V. 1907, no. 19.

Ter plaatse alwaar de opvolging van dit voorschrift voor de invordering en de berekening van de verschenen termijnen, ter beoordeeling van den Inspecteur, weinig of geen nut heeft, behoeft het niet te worden nageleefd. Res. V. 1907, no. 102.

10. Zie aant. 64 op art. 14.

Art. 9 (1—5). De directe belastingen zijn dadelijk en in eens invorderbaar:

1°. wanneer de belastingschuldige in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen is verklaard, gelijk mede in geval van inbeslagneming van roerende of onroerende goederen, van wege het rijk, of van verkoop derzelve.ten gevolge van eene inbeslagneming namens derden (6—11) ;

2°. voor zooveel de personeele belasting betreft, wanneer blijkt, dat de belastingschuldige het Rijk met der woon wil verlaten met wegvoering der meubelen (12—15).

3°. voor zooveel de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten aangaat, wanneer de aanslagen betreffen uitdeelingen van naamlooze vennootschappen, commanditaire vennootschappen op aandeelen, coöperatieve en andere vereenigingen, onderlinge verzekeringmaatschappijen en reeJerijen of uitdeeling van winstaandeelen aan buitenslands gevestigde ven-

Sluiten