Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

76

Wet, Art. 9.

nooten, of wel buitenslands gevestigden, die hier te lande geene vaste inrichtingen, kantoren of In Nederland gevestigde vertegenwoordigers hebben; voorts wanneer blijkt, dat de belastingschuldige het Rijk met der woon wil verlaten, met wegvoering der meubelen.

1. Het bepaalde sub 2 is vastgesteld bij art. 78 der wet van 16 April 1896, S. no. 72 (V. 1909, no. 227).

Het bepaalde sub 3 is vastgesteld bij art. 58, § 1, der wet van 2 Oct. 1893, S. no. 149 (V. 1893 no. 93), en vindt sedert de. afschaffing der bedrijfsbelasting geen toepassing meer.

2. De aanslagen in de grond- en personeele belasting zijn, behalve in de in art. 9 genoemde gevallen, dadelijk en in eens invorderbaar, indien het kohier later dan in de voorlaatste maand van het belastingjaar is afgekondigd. Zie art. 8, vierde lid.

3. Art. 9, sub 1, is ook van toepassing op aanslagen in de inkomstenbelasting.

Daarvoor gelden voorts de bepalingen van de artt. 114 en 129 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914, opgenomen in aant. 6 op de Considerans hiervoor.

4. Art. 9 is niet van toepassing op de invordering van plaatselijke belastingen.

5. Verg. het laatste lid van art. 39 en art. 45i? der Wet op de Vermogensbelasting, in aant. 4 op art. 8.

6. In Fiscus no. 894 wordt betoogd, dat art. 9, sub 1, ook van toepassing is op een belastingschuld, ontstaan na de faillietverklaring (doch gedurende het faillissement).

7. Art. 9 zegt niet, dat het geheele bedrag van den aanslag slechts gedurende den staat van faillissement opvorderbaar is.

Op grond hiervan is men van oordeel, dat, indien de belasting door den . staat van faillissement in eens opvorderbaar wordt, zij dat blijft, ook nadat het faillissement is afgeloopen.

Indien dus de aanslag niet geheel uit het faillissement wordt betaald, blijft het restant dadelijk en in eens invorderbaar. Verg. aant. 51 op art. 7, alsmede aant. 8 op art. 14.

8. Voor invordering der belasting, in geval van faillissement, wordt verwezen naar art. 7 en de §§ 25—27 der instructie.

9. Kennelijk onvermogen komt in de tegenwoordige Faillissementswet niet voor..

10. De slotwoorden van art. 9, sub 1 („vanwege het Rijk, enz."), luidden in het eerste ontwerp: „hetzij van wege het Rijk, hetzij namens derden geschiedende."

Deze bepaling werd op aandrang van de Tweede Kamer beperkt tot het geval, dat er verkoop ten gevolge der inbeslagneming geschiedt. Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1844/45, blzz. 876, 880 en 883.

11. Art. 9, sub 1, is van toepassing op een aanslag, voorkomende op een kwartaalskohier, afgekondigd gedurende den tijd dat het beslag ligt. Weekblad no. 2111.

12. Met welk doel iemand verhuist, doet hier niets ter zake. Daar de

Sluiten