Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet, Artt. 11—12; Instructie, § 81.

81

nomen. Daarvoor gelden dus de regelen van het Burgerlijk Recht. Deze termijn is volgens art. 2014 B. W. 30 jaren. Fiscus no. 1196. Zie ook Fiscus no. 1153 en art. 49 der Ongevallenwet 1901.

5. De rechtsvorderingen van deurwaarders, wegens hun loon voor het beteekenen van akten en het ten uitvoer brengen van de hun opgedragen werkzaamheden,verjaren door verloop van twee jaren. Art. 2006 B. W.

Art. 24, hetwelk de bepalingen dezer wet omtrent den voorrang en de vervolgingen van toepassing verklaart op de kosten van vervolging, handelt niet over verjaring.

Verg. Fiscus nos. 215 en 218.

6. Indiening eener vordering ter verificatie heeft stuiting der verjaring ten gevolge. Faillissementswet, art. 36.

T. Over de verjaring, beschouwd als een middel om van een verplichting bevrijd te worden, komen bepalingen voor in de artt. 2004, e. v., B. W.

Verg. van Nieuwkuyk, Fiscaal Recht, §§ 145—147.

8. Een studie over de verjaring komt voor in Weekblad no. 889.

§ 31 der instructie. Vervolgingsstukken, welke niet beteekend worden, hebben geen invloed op den termijn van verjaring, in dit artikel bedoeld (9).

De belasting, welke oningevorderd is gebleven, nadat drie jaren zijn verstreken na de beteekening van een dwangbevel, beoogende geheele aanzuivering van den aanslag, is verjaard, tenzij binnen dien tijd tot voortzetting der ingestelde vervolging een ander vervolgingsstuk is beteekend, in welk geval op den dag van laatstbedoelde beteekening een nieuwe verjaringstermijn is aangevangen (10).

9. De verjaring wordt dus niet gestuit door de uitreiking van een waarschuwing of van een aanmaning.

10. De vervolging, ingesteld bij dwangbevel, kan niet geacht worden te zijn voortgezet door de beteekening van een nieuw dwangbevel, uitgevaardigd voor dezelfde vordering.

De stuiting der verjaring zal mitsdien alleen door het eerst beteekende dwangbevel kunnen geschieden. Arrest van den Hoogen Raad van 6 Mei 1859.

Art. 12 (1—10). 's Rijks schatkist heeft het recht van voorrang (11);

A. Wat de grondbelasting aangaat (12) :

1°. op de aan den belastingschuldige toebehoorende veld- en boomvruchten, turf te velde, en verdere opbrengst der goederen aan de belasting onderworpen, mitsgaders op de verschuldigde en verschuldigd wordende pacht- of huurpenningen, en op de tot zekerheid der belasting wegens te vervenen gronden geconsigneerde waarborgs-penningen (13—14);

2°. op de goederen zeiven aan de belasting onderworpen (15).

B. Wat de overige directe belastingen aangaat:

op al de roerende en onroerende goederen van den belastingschuldige (16-17).

Het recht van voorrang bij dit artikel toegekend, geldt boven alle andere, zelfs boven pand en hypotheek (18—19), met uitzondering alleen van de

Invordering. 6

Sluiten