Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet, Art. 12.

85

van de goederen van de belastingschuldigen. Die onderscheiding is niet toevallig, maar opzettelijk alzoo gemaakt, ten einde, met betrekking tot de in lett. B genóemde roerende goederen, den rechtsregel van art. 2014 B. W. te doen toepassen, namelijk :dat het bezit (a) als volkomen titel geldt. Op gelijke wijze worden ook, in art. 14 der wet, de roerende goederen van den schuldenaar voor de belasting aansprakelijk gesteld. Res. van 12 Juni 1846, no. 146.

Het recht van voorrang rust hier dus niet uitsluitend op die roerende goederen, waarvan de belastingschuldige eigenaar is, maar ook op die, welke hij, zonder er eigenaar van te zijn, slechts bezit of gebruikt.

Tegen de inbeslagneming van die goederen, kunnen derden, voor zoover de goederen vallen onder art. 16, 3e lid, en behoudens de daarbij bepaalde uitzondering, zelfs geen verzet doen. Verg. Fiscus no. 648. (es) Zie aant. 7, noot a, op art. 16.

18. Volgens art. 1180 B. W. gaan pand en hypotheek boven privilege, behalve in de gevallen, waarin de wet uitdrukkeluk het tegendeel bepaalt.

Over pand wordt gehandeld in de artt. 1196—1207 B. W.; over onderzetting of hypotheek in de artt. 1208—1268 B. W.

19. Wanneer tot verhaal van directe belasting geen ander middel beschikbaar is dan een aan den belastingschuldige toebehoorend onroerend goed, zal de Ontvanger op dat goed beslag moeten leggen, ook indien de eerste hypotheekhouder, krachtens het beding van art. 1223 B. W., tot verkoop is overgegaan. Weliswaar zou uit art. 510 W. v. B. R. volgen, dat de belasting slechts kan worden verhaald uit hetgeen van de opbrengst mocht overblijven, nadat daaruit de hypothecaire vordering met de interessen en de kosten zijn gekweten, maar het schijnt niet twijfelachtig dat, nu art. 12 aan 's Rijks schatkist een voorrecht heeft gegeven, zelfs boven hypotheek, de bepaling van art. 510 W. v. B. R. als dienovereenkomstig gewijzigd is te beschouwen. Res. van 1 Febr. 1908, no. 84; zie B. no. 449.

Zie ook het Vonnis der Arr. Rechtbank te Nijmegen van 7 Sept. 1858, V. 1858, no. 84.

20. De bevoorrechte schulden op zekere bepaalde goederen, volgens art. 1185, no. 1, zijn de gerechtskosten, uitsluitend veroorzaakt door de uitwinning van een roerende of onroerende zaak.

De bevoorrechte inschulden op alle de roerende en onroerende goederen in het algemeen, volgens art. 1195, no. 1, zijn de gerechtskosten, uitsluitend veroorzaakt door uitwinning en boedelredding.

Volgens art. 1184 B. W. hebben de privilegiën op bepaalde goederen voorrang boven die op alle de roerende en onroerende goederen in het algemeen.

Door ook de bevoorrechte schuld van art. 1185, no. 1, in de uitzondering op te nemen, meenden sommige leden der Tweede Kamer, dat alsdan bij een rangregeling een ander speciaal privilege zou kunnen beweren den voorrang boven het algemeene van art. 1195, no. 1, te hebben. Een dezer leden verdedigde deze meening met het volgende geval, waarin een rangregeling van schuldeischers moet wórden-opgemaakt. Het zal daaruit blijken in welke moeilijkheden de Rechter door art. 12 van. het tegenwoordig wetsontwerp zal kunnen geraken. Er is, zoo wordt verondersteld, een boedel, die bij executie /130 heeft opgebracht; zes schuldenaren (lees: schuldeischers) doen zich op, onder wie de een een volgens art. 1185, no. 1, gepriviligeerde schuld heeft van / 10, de tweede een volgens art. 1185, no. 2, bevoorrechte schuld van / 20, de derde een volgens art. 1185, no. 3, bevoorrechte schuld van ƒ 30, de vierde een volgens art. 1185, no. 4, van

Sluiten