Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet, Art. 14.

97

De vermogensbelasting is verhaalbaar op de goederen van den aangeslagene, zoomede op die der vrouw, wier vermogen voor de regeling der belasting geacht is met dat van den aangeslagene één geheel uit te maken. Alsvoren, art. 43.

Verg. aant. 3 op art. 20. Zie mede aant. 43 hierna.

5. Wanneer een ingevolge de Ongevallenwet 1901 verschuldigde premie, voor het geheel of voor een deel niet binnen den bepaalden tijd is voldaan, maant het Bestuur der Rijksverzekeringsbank den nalatigen werkgever bij te adviseeren dienstbrief aan, om alsnog binnen acht dagen na de dagteekening van het bewijs van adviseering het vastgestelde bedrag te betalen ten kantore der posterijen, binnen welks kring hij zijn woonplaats heeft. Volgt op deze aanmaning (a) de betaling binnen den gestelden termijn niet, dan vaardigt de Voorzitter van het Bestuur der Rijksverzekeringsbank een dwangbevel uit, medebrengende het recht van parate executie, dat wordt executoir verklaard door den President der Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam.

Het dwangbevel wordt beteekend en ten uitvoer gelegd op de wijze, bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten aanzien van vonnissen en authentieke akten voorgeschreven.

Het dwangbevel kan in het geheele Rijk worden ten uitvoer gelegd.

Zie art. 50 der Ongevallenwet 1901 (bijl. G I).

(a) De aanmaning geschiedt kosteloos. Fiscus no. 1152.

6. Verg. de artt. 6 en 30 der Leeningwet 1914, V. v. V. no. 469, en de artt. 6 en 30 der Leeningwet 1916, V. v. V. no. 650. Zie mede aant. 4 op art. 13 hiervoor.

T. De invordering van dijk-en polderlasten is geregeld bij de wet van 9 Oct. 1841, S. no. 42.

Volgens de bepalingen dier wet kunnen gemelde lasten, na uitreiking van een waarschuwing en daarna van een sommatie, worden ingevorderd bij dwangbevel, medebrengende het recht van parate executie, dat is het recht om de goederen van den schuldenaar zonder vonnis aan te tasten. De beteekening en verdere tenuitvoerlegging geschieden op de wijze bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordermg, ten aanzien van het gerechtelijk ten uitvoer leggen van vonnissen en authentieke akten bepaald, of bij nadere wetten te bepalen.

Ter zake vorenbedoelde lasten is het recht toegekend van privilege, in alles gelijkgesteld met dat, in art. 1185, no. 4, van het Burgerlijk Wetboek omschreven en mitsdien uit te oefenen zooals te dien aanzien in de artt. 1193 en 1194 van dat Wetboek is bepaald.

8. Wanneer, in geval van faillissement, de belasting niet geheel uit het faillissement is voldaan, herkrijgt de Administratie na het verbindend worden der slotuitdeelingslijst, haar rechten van executie op de goederen van den schuldenaar voor het onbetaald gebleven gedeelte van de geverifieerde belastingschuld. Zie art. 195 der Faillissementswet.

Het proces-verbaal der verificatievergadering levert daartoe, in verband met art. 196 dier wet, den eenigen geldigen executorialen titel op. Mh. J. D. Veegens, De wet op het faillissement èn de surséance van betaling, 2e druk, blz. 170.

Hieruit volgt, dat, in zoodanig geval,- de Ontvanger een grosse behoort aan te vragen, bevattende een uittreksel uit het proces-verbaal der verificatievergadering, .hetwelk door den- Griffier op aanvrage wordt afgegeven. Deze grosse wordt aan <den schuldenaar beteekend en komt

Invordering.

7

Sluiten