Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet, Art. 14.

103

voor de door zijn, bij hem inwonenden, meerderjarigen zoon verschuldigde belasting.

Ten aanzien van het thans vervallen patentrecht werd dit uitdrukkelijk bepaald bij een res. van 28 April 1846, no. 124.

2T. Tot verhaal van belasting, verschuldigd door den vader, kan geen beslag worden gelegd op het loon van den zoon. Fiscus no. 980.

28. Bij overlijden van den belastingschuldige is het aandeel in de belasting van iederen erfgenaam verhaalbaar op al de goederen van dien erfgenaam.

De helft der nog verschuldigde belasting kan worden verhaald op de goederen der weduwe, met wie de belastingschuldige in algeheele gemeenschap van goederen gehuwd was.

Verg. de aantt. 4 en 5 op art. 5.

Zie, voor de uitvaardiging van dwangbevelen, voor belasting, verschuldigd door overledenen, aant. 49 hierna.

Voor de beteekening van dwangbevelen, aan de gezamenlijke erfgenamen, wordt verwezen naar art. 4, sub 6, W. v. B. R., met aanteekeningen, in bijl. D.

Zie, voor het geval de belastingschuldige overlijdt, zonder erfgenamen na te laten, aant. 38 op art. 7.

29. Bij ontbinding van een vennootschap, vereeniging of maatschappij, vallende onder art. 1 der Wet op de Inkomstenbelasting 1914, is de ingevolge art. 22 dier wet verschuldigd zijnde belasting verhaalbaar op de goederen van de met de vereffening belaste personen.

Dezen zijn nl. hoofdelijk voor die belasting aansprakelijk. Zie art. 52 der aangenaaide wet. Verg. aant. 51 hierna.

30. Een opgerichte en gevestigde vennootschap onder een firma, door geteekende akte bewezen, heeft, ook al is zij geen rechtspersoon, niettemin een eigen vermogen, afgescheiden van dat der vennooten.

Dientengevolge kan op hetgeen eigendom der vennootschap is geen beslag worden gelegd tot verhaal van belasting, verschuldigd door een der vennooten. Vonnis van de Arr. Rechtbank te Rotterdam van 5 Juni 1913; zie De Invordering no. 15.

31. Een aanslag, staande ten name van een vennootschap onder een firma, is verhaalbaar op de goederen der hoofdelijk aansprakelijke vennooten (a). Verg. aant; 9 op art. 5.

Zie, voor de uitvaardiging van een eventueel dwangbevel, aant. 52 hierna.

(a) Behalve de vennootschappen van koophandel (art. 14 van het Wetboek van ■ Koophandel) bestaan ook handelingen voor gemeene rekening (zie de artt. 67 en 58 van dat Wetboek en art. 1660 B. W.).

In De Invordering no. 33 wordt betoogd, dat bü deze laatste ondernemingen de leden aansprakelijk zijn voor zoodanig deel als zij zijn overeengekomen. Verg. aant. 52, noot b, hierna.

32. Het vonnis van faillietverklaring heeft ten gevolge, dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op eenig deel van het vermogen van den schuldenaar, vóór het faillissement aangevangen, dadelijk een einde neemt, en dat, ook van hetzelfde oogenblik af, geen vonnis bij lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd.

Indien de schuldenaar zich in gijzeling bevindt, wordt hij ontslagen, zoodra het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, behoudens toepassing van art. 87. Faillissementswet, art. 33.

Sluiten