Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

106

Wet, Art. 14.

schepen, het doen van een afzonderlijk bevel niet noodig. Verg. de artt. 439, 502 en 563 W. v. B. R. Zie aant. 91 hierna.

Ten aanzien van onroerende goederen wordt mede verwezen naar aant. 4 op art. 502 W. v. B. R., in bijl. D. Verg. aant. 4 op § 1 der L O., in bijl. C II.

46. Art. 14 geeft recht alle goederen, dus ook de inschulden van den belastingschuldige, krachtens een executoir verklaard dwangbevel aan te tasten, ook door executoriaal beslag onder derden.

Deze algemeene regeling van art. 14 staat naast de bijzondere van art. 7, alwaar de bevoegdheid, om derden-beslag te leggen, is gegeven ten aanzien van sommige schuldenaren van den belastmgschuldige.

De artt. 475 en 735 W. v. B. R. laten toe het beslag te leggen op alle inschulden van den debiteur, waarvan de verschuldigdheid tijdens het leggen van het beslag vaststaat, onverschillig of de nakoming-der op dat tijdstip bestaande verbintenis terstond of eerst later kan worden gevorderd. Arrest van -den Hoogen Raad van 17 Januari 1902, v. d. Honert, deel XVI, blz. 55, en Weekblad no. 1554.

In dit Arrest overwoog de Hooge Raad, onder meer, het volgende:

„dat deze wetsbepaling (nl. art. 14), ingevolge art. 260 der Gemeentewet ook op plaatselijke belastingen toepasselijk, het recht om de roerende Bn onroerende goederen des schuldenaars door het executoir verklaarde dwangbevel aan te tasten geheel algemeen verleent en zonder van dit verhaal uit te zonderen de inschulden van den belastingschuldige, en, door haar geheel algemeene verwijzing naar de in het W. v. B. R. voorgeschreven tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten, voor het executoir verklaard dwangbevel ook toepasselijk verklaart de in den tweeden Titel van het tweede Boek geregelde gerechtelijke tenuitvoerlegging op roerende goederen en hiermede ook het in de tweede Afdeeling van dien Titel geregelde executoriaal beslag onder derden;

O., dat dus bij het bestreden Arrest het door den verweerder onder den eischer in cassatie gelegd executoriaal derden-arrest terecht geldig is geoordeeld ;

O., dat hiertegen door den eischer in cassatie is aangevoerd, dat alleen door art. 7 der voormelde wet van 1845 een recht tot executoriaal beslag onder derden wordt verleend en wel alleen onder de personen, in het eerste lid van het artikel genoemd, waaronder de eischer in cassatie niet is begrepen;

O., dat door art. 260 der Gemeentewet, ook blijkens de geschiedenis van het artikel, alleen de voorschriften der artt. 13 tot en met 19 en 21 tot en met 23, dus niet van art. 7 der wet van 22 Mei 1845, S. no. 22, op de invordering der plaatselijke belastingen zijn toepasselijk verklaard, maar dat dit niet, gelijk door den verweerder is aangevoerd, de bevoegdheid wegneemt, om,,ter uitlegging van art. 14 dier wet en zijn toepassing bij het invorderen van gemeentebelastingen, een beroep op art. 7 voormeld te doen;

O., dat dit art. 7 in zijn eerste lid niet aan alle schuldenaren van den belastingschuldige, maar slechts aan alle houders of schuldenaars van penningen, aan den belastingschuldige toekomende, dus niet aan den eischer in cassatie — patroon, in wiens dienst de belastingschuldige Schatborn is, de verplichting oplegt, om op daartoe gedane vordering van den Ontvanger, en de bevoegdheid verleent, om, uit eigen beweging, voor rekening van den belastingschuldige de door dezen verschuldigde belasting te betalen, voor zoover de penningen, onder hen berustende of door hen verschuldigd, strekken — met bepaling, dat zij, in gebreke blijvende aan de vordering des Ontvangers te voldoen, vervolgd zullen worden bij

Sluiten