Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112

Wet, 14; Instructie, § 46.

Die meting heeft, volgens art. 1 der bijlage, toegevoegd aan eerstgenoemd besluit, ten doel het gewicht der lading van een vaartuig naar zijn inzinking te bepalen. Daar het geheele gewicht van een vaartuig gelijk is aan dat van het daardoor verplaatste volume water, is het gewicht der lading gelijk aan het gewicht van het volume water, dat door het beladen vaartuig wordt verplaatst, verminderd met het gewicht van het volume water, dat door het ledige vaartuig wordt verplaatst. Het getal dat in kubieke meters het verschil tusschen een en ander uitdrukt, geeft in tonnen van duizend kilogram het gewicht der lading van.het vaartuig aan.

Hieruit volgt, dat de ton van thans een geheel andere beteekenis heeft dan de ton, ten tijde toen de res. Y. 1857, no. 70, werd uitgevaardigd.

Het aantal lasten kan daarom, naar het voorkomt, thans niet meer worden berekend, door deeling van het getal tonnen met 2,84.

Volgens het Arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 Januari 1915, W. v. h. R. no. 9768, opgenomen in Weekblad no. 2245, zou een last, bedoeld in art. 750 van het Wetboek van Koophandel, het dubbele van een ton zijn.

Verg. omtrent dit onderwerp Fiscus no. 98 en De Invordering nos. 4 en 10.

58. Daarbij is het zeer goed mogelijk, dat de aangeslagene nog woont onder het kantoor van aanslag.

Er zal nl. een bijzonder dwangbevel moeten worden opgemaakt, wanneer men wil overgaan tot hét leggen van derden-beslag onder een ander kantoor of tot executie van goederen of schepen in een gemeente, gelegen buiten den kring van het kantoor.

Verg. de §§ 74 en 79 der instructie hierna.

59. Zie § 18 der instructie, opgenomen onder art. 5. 69. Verg. aant. 38 op art. 1.

61. De Ontvanger treedt niet op als privaatpersoon, maar als orgaan van den Staat. Vonnis van de Arr. Rechtbank te Utrecht van 3 Maart 1909, Weekblad no. 1926.

62. Op de vraag of men, door opvolging van dit voorschrift, niet handelt in strijd met art. 5, sub 1, W. v. B. R., en hoe in dergelijk geval het repertorium van den deurwaarder moet worden ingevuld, verg. §94 der instructie, opgenomen onder art. 22, werd in Weekblad no. 2135 geantwoord:

„Volgens Oudeman, „Het Nederlandsch Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering", heeft men met opzet in dat Wetboek niet opgenomen een algemeene bepaling over de vereischten van alle deurwaardersexploten, omdat die in dat Wetboek niet zou thuis behooren. Art. 5 geldt dus alleen voor exploten van dagvaarding, ofschoon men het bij analogie toepast op alle andere exploten (a).

„Bij Arrest van 11 Mei 1906, heeft de Hooge Raad overwogen, dat het dwangbevel, zoodra daartegen verzet is gedaan, ophoudt te zijn een bloot executoriale titel en wordt een eerste daad van vervolging, waarmede het Bestuur zijn vordering doet gelden en de schuldplichtigheid zijner wederpartij beweert.

„Bij Arrest van 15 December 1911, heeft de Hooge Raad overwogen, dat het dwangbevel wel is de eerste daad van vervolging en het Bestuur in het geding, dat op het verzet volgt, wel de plaats van eischer, de opposant, die van gedaagde inneemt, maar het dwangbevel daarom nog niet is een dagvaarding en mitsdien de formeele bepalingen omtrent dagvaardingen niet kunnen verklaard worden toepasselijk te zijn op

Sluiten