Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet, Art. 14; Instructie, §§ 51—58.

117

der vervolging, in analogie van art. 134 W. v. B. R., geoorloofd. Res. van 12 April 1915, no. 12. \ Verg. de volgende aanteekening.

85. Volgens art. 134 W. v. B. R. is de eischer bevoegd tot den afloop der zaak zijn eisch te wijzigen of te verminderen, zonder nochtans het onderwerp van den eisch te mogen veranderen of te vermeerderen.

Bij Arrest van den Hoogen Raad van 26 Juni 1846, V. no. 139, is beslist, dat deze bepaling alleen van toepassing is bij gewone rechtsvorderingen, doch niet bij verhaal van belastingen door middel van parate executie. De Administratie moet dadelijk met juistheid bepalen, ' hoeveel wordt gevorderd en waarvoor wordt geëxecuteerd, zoodat een dwangbevel, hetwelk meer inhoudt dan later blijkt verschuldigd te zijn, van den aanvang af gebrekkig en alzoo van onwaarde is.

De Hooge Raad is blijkbaar later van deze opvatting teruggekomen.

In een belastingvordering wegens registratierecht had het Bestuur het bij dwangschrift gevorderd bedrag daarna verminderd. Hierover liep verzet. De Arr. Rechtbank te 's-Gravehhage verklaarde het Bestuur tot die vermindering onbevoegd.

De Hooge Raad vernietigde evenwel dit Vonnis bij Arrest van 11 Mei 1906 en verklaarde het dwangschrift deugdelijk, ook voor het verminderde bedrag.

Daarbij werd overwogen, dat er geen reden is, waarom de bevoegdheid, die in art. 134 W. v. B. R. gegeven wordt aan iedereen, die een vordering instelt, en die strekt om in het belang van beide partijen de behandeling der zaak te vereenvoudigen, niet van toepassing zou zijn op de door het Bestuur gedane vordering.

Zie Weekblad no. 1922.

Verg. mede aant. 25 op art. 15.

§ 5% der instructie. Blijkt na de uitvaardiging van een algemeen dwangbevel, dat voor de invordering van een daarop voorkomenden post van een bijzonder dwangbevel moet worden gebruik gemaakt, dan wordt dit, na de opmaking op de gewone wijze, executoir verklaard en beteekend (86). Indien het eerst opgemaakte dwangbevel reeds beteekend mocht zijn, worden voor de tweede beteekening geene kosten berekend (87).

86. Een geval, als hier bedoeld, zal zich bijv. voordoen, wanneer een belastingschuldige, in zijn roerende goederen vruchteloos aangesproken, in zijn onroerende moet worden aangetast.

De Ontvanger zaj zich evenwel, in den regel, wel vooraf kunnen verzekeren of, bij een vervolging, tot executie van onroerend goed zal moeten worden overgegaan.

8T. In verband hiermede, moeten, in het nieuwe dwangbevel, onder „de kosten van vervolging, ten bedrage van f....," mede worden begrepen de reeds gemaakte kosten voor de beteekening van het algemeen dwangbevel.

§ 53 der instructie. Indien de beteekening van een dwangbevel moet worden nagelaten, omdat de belastingschuldige zonder achterlating van roerende goederen naar elders is vertrokken, stelt de deurwaarder alles in het werk om het nieuwe adres van den belast'ngschuldige te weten te komen.

Slaagt hij, b.v. na info matie bij buren, dadelijk daarin, en kan het exploot aan. het nieuwe adres, wegens vertrek van den be astingschuldige naar eene andere gemeente, naar eene plaats buiten zijn district of om andere reden

Sluiten