Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

118

Wet, Art. 14; Instructie, §§ 58—54;

niet door hem worden uitgebracht, dan maakt hij, evenals in het geval dat hij dit adres eerst later, of niet, te weten kan komen, eene verklaring van onderzoek of met-bevinding (Model IX) op, welk stuk hij bij den ontvanger inlevert (88—89).

88. De deurwaarder handelt op dezelfde wijze, wanneer het herhaald bevél niet kan worden gedaan, omdat de belastingschuldige, zonder achterlating van roerende goederen, naar elders is vertrokken. Zie § 62 hierna.

89. Verg. § 81 der instructie hierna.

§ 54 der instructie. Wanneer na de beteekening van het dwangbevel de betaling op den gestelden tijd niet volgt, wordt tot executoriaal beslag overgegaan, tenzij het den deurwaarder bij die beteekening is gebleken, dat de belasting oninbaar is, in welk geval hij eene verklaring van onvermogen opmaakt, die verscheidene posten kan bevatten (90—95).

Voor zooveel beslag onder derden, beslag op onroerende goederen of op schepen boven tien last betreft, vraagt de ontvanger, die voor de executie zorgt, daartoe de machtiging van den directeur in wiens directie zij moet plaats hebben (96—98).

j^Moet derden-beslag onder een ander kantoor worden gelegd, dan deelt de ontvanger de daarvoor aanwezige gronden bij de toezending van het dwangbevel mede aan zijn ambtgenoot, door middel van een begele:dend schrijven, dat bij het aanvragen der machtiging aan den directeur wordt overgelegd.

De deurwaarder ontvangt tot het leggen van beslag op roerende goederen opdracht van den ontvanger, aan wiens kantoor hij is verbonden (99). Die opdracht wordt gegeven door vermelding van het woord „Beslag" met paraaf van den ontvanger in de kolom „Aanmerkingen" van het algemeen dwangbevel achter de betrekkelijke posten. Onder de laatste inschrijving wordt de dag vermeld waarop het dwangbevel weder aan den deurwaarder is ter hand gesteld.

Op de bijzondere dwangbevelen wordt een opdracht in denzelfden vorm aan den voet daarvan gesteld.

90. Zie § 29 der instructie, opgenomen onder art. 9 hiervoor, alsmede de aantt. 17—19 op dat artikel.

91. Bij een res. van 13 Oct. 1888, no. 31, werd afgekeurd de handelwijze van een deurwaarder, die, nadat vruchteloos het dwangbevel was beteekend, nog eens afzonderlijk bevél tot betaling deed, in plaats van, na bekomen opdracht, tot inbeslagneming over te gaan of proce3-verbaal van onvermogen op te maken, voor welk afzonderlijk bevel hij den belastmgschuldige ƒ 1,— in rekening bracht.

Wanneer na de beteekening van het dwangbevel, om binnen twee dagen te betalen, de belasting niet wordt betaald, zal, na herhaald bevél ingevolge art. 440 W. v. B. R., tot mbeslagneming behooren te worden overgegaan of een proces-verbaal van onvermogen moeten worden opgemaakt, tenzij uitstel van betaling wordt verleend volgens § 59 der instructie.

Verg. aant. 45 hiervoor.

93. Wanneer aan een belastingschuldige verschillende dwangbevelen zijn beteekend, waarop hij niet heeft betaald, kan voor al die

Sluiten