Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

128

Wet, Art. 14; Instructie, §§ 64—65.

belasting te verhalen is op de roerende (a) goederen van den belastingschuldige.

De onverhaalbaarheid op die goederen zal moeten blijken uit een verklaring of proces-verbaal van onvermogen. Verg. de §§ 54 en 62 hiervoor (b). , . -£ .

De verklaring of het proces-verbaal van onvermogen gaat dan, als de belastingschuldige in loondienst is, gewoonlijk vergezeld van een voorstel, van den deurwaarder, tot het leggen van loonbeslag.

Zie het artikel „Executoriaal derden-beslag" in De Invordering nos. 17—26, alsmede het „Overzicht", opgenomen in bijl. F.

(a) Tot executie van de onroerende goederen mag, blijkens § 70, eerst worden overgegaan nadat gebleken is, dat de belasting niet op andere wijze, dus ook niet door derden-beslag, kan worden ingevorderd.

(b) Bij de res. van 11 April 1905, no. 13, werd er de aandacht op gevestigd, dat het onderzoek naar de mogelijkheid van verhaal der schuld op het bij den belastingschuldige zelf aanwezige goed, in den regel, wel bjj de beteekening van het dwangbevel zal kunnen worden ingesteld. Daardoor worden de kosten, verbond , n aan het procesverbaal van onvermogen (verg. aant. 130 hiervoor) vermeden en het tijdverlies der deurwaarders tevens zooveel mogelijk beperkt.

13T. Verg. aant. 110 hiervoor.

§ 65 der instructie. Heeft de ontvanger machtiging verkregen tot het leggen van dit beslag op loon, dan doet hij door een deurwaarder een formulier (Model XIV) aan den belastingschuldige uitreiken, waarbij deze wordt uitgenoodigd de verschuldigde belasting en kosten ten kantore te voldoen, ten einde daardoor te voorkomen, dat beslag op zijn loon zal worden gelegd. Als regel moet daarvoor een termijn van acht dagen worden gesteld (188— 142).

Wanneer in andere gevallen de belasting door middel van derden-beslag wordt ingevorderd, behoort vooraf geene kennisgeving als bovenbedoeld te worden uitgereikt (148).

138. Artikelen over loonbeslag zijn te vinden in Fiscus nos. 910, 1057 en 1058.

139. Bij de res. van 4 Oct. 1902, no. 83, werd den Ontvangers aanbevolen, alvorens tot het leggen van derden-beslag over te gaan, mondeling overleg te plegen met de werkgevers.

Bij de res. van 25 Nov. 1904, no. 111, werd evenwel te kennen gegeven, dat bedoeld overleg achterwege kon blijven, indien daarvan geen resultaat te wachten was of te veel tijdverlies zou veroorzaken, zonder daaraan geëvenredigd nut.

Verg. het „Overzicht" in bijl. F.

140. Zie de res. V. 1905, no. 148.

141. Op het loon van iemand, die zich telkens voor niet langer dan een maand aan zijn patroon verbindt, zijn dienst ieder oogenblik kan opzeggen en verlaten en aan wien het te verdienen loon wordt vooruit betaald, kan niet met succes beslag gelegd worden. Zie het Vonnis van de Arr. Rechtbank te Amsterdam van 8 Januari 1901, in aant. 8 op art. 475 W. v. B. R. (bijl. D).

142. Indien de beslagenen daartoe het verzoek doen, kan de Ontvanger de gelden, waarvoor loonbeslag is gelegd, door den deurwaarder .laten afhalen. Zie § 93 der instructie, opgenomen onder art. 21 hierna.

Sluiten