Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

142

Wet, Art. 15.

zet tegen een dwangbevel, uitgevaardigd ter invordering van plaatselijke belasting, gegrond op de bewering van den opposant, dat hij ten onrechte was gebracht op de kohieren der plaatselijke directe belasting van zekere gemeente, daar hij gedurende het betrekkelijk dienstjaar in die gemeente zijn hoofdverblijf niet had gehad en evenmin aldaar drie maanden was verbleven. .

Zoodanig verzet is gericht tegen de wettigheid van den aanslag en mitsdien onttrokken aan de kennisneming van den Rechter. Arrest van den Hoogen Raad van 31 Dec. 1891, v. d. Honert, deel XIII, blz. 176.

22. De woorden van art. 15, dat het verzet nimmer tegen de wettigheid van den aanslag kan gericht zijn, moeten in beperkten zin worden opgevat.

De Rechtbank is derhalve bevoegd kennis te nemen van een verzet, dat alleen gericht is tegen de wettigheid der verordening. Vonnis van de Arr. Rechtbank te 's-Hertogeribosch van 15 Maart 1901, W. v. h. R. no. 7735; zie Fiscus no. 698.

23. Een verzet, gegrond op de bewering, dat de betrekkelijke belastingverordening onwettig zou zijn, is niet aan de kennisneming van den Rechter onttrokken.

Met het woord aanslag, in art. 15, wordt aangeduid een handeling, waarbij een belastingwet of belastingverordening op een bepaald persoon wordt toegepast en niet een handeling, waarbij in het algemeen zekere categoriƫn van personen aan belasting worden onderworpen. Arrest van den Hoogen Raad van 20 Maart 1903, v. d. Honert, deel XVI, blz. 128; zie Weekblad no. 1660.

24. Een aanslag, als bedoeld in art. 15, kan plaats hebben in den vorm van een kennisgeving van den Gemeenteontvanger, om in een plaatselijke belasting een zekere som te betalen.

Voor het aanwezig zijn van een aanslag, als in dat artikel bedoeld, is dus het bestaan van kohieren van aanslag niet noodig. Vonnis van de Arr. Rechtbank te Amsterdam van 22 April 1904, W. v. h. R. no. 8162; zie Weekblad no. 1714.

25. Het feit, dat voor een grooter bedrag beslag werd gelegd, dan waarop de executant recht heeft, brengt op zich zelf, in overeenstemming met art. 134 W. v. B. R., de onrechtmatigheid van het beslag niet mede en kan er niet toe leiden, dat het beslag wordt opgeheven.

Ten aanzien van het beslag op onroerende goederen en op schepen is dit uitdrukkelijk voorgeschreven in de artt. 501 en 584 W. v. B. R. en ten aanzien van het beslag op roerende goederen moet het eveneens als geldende worden beschouwd. Vonnis van de Arr. Rechtbank te Amsterdam van 9 Oct. 1914, W. v. h. R. no. 9780, Weekblad no. 2246.

Verg. aant. 85 op art. 14.

26. Het verzet kan dus niet gericht zijn tegen de wettigheid van den aanslag.

Het kan wel gericht zijn tegen de wettigheid van de verordening, krachtens welke de belasting wordt gevorderd; zie aant. 22.

Het verzet kan voorts niet gericht zijn tegen de hoegrootheid van den aanslag, daarentegen wel tegen de hoegrootheid van het gevorderde bedrag, bijv. wanneer het bedrag der verschenen termijnen te hoog is berekend.

Ook kan het verzet gericht zijn tegen het bedrag der gevorderde

Sluiten