Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet, Art. 15.

143

kosten, nl. voor zoovéél betreft de kosten, voortspruitende uit de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Daaronder zijn dus niet begrepen de kosten wegens vervolgingsstukken tot en met het herhaald bevel. Zie aant. 7 hiervoor, alsmede § 87 der instructie, opgenomen onder art. 19.

Omtrent de vraag of de Administratie, bij de behandeling van het verzet voor de Rechtbank, haar eisch mag verminderen, wordt verwezen naar aant. 85 op art. 14. Zie mede aant. 25 hiervoor.

Voorts kan het verzet gegrond zijn op een gebrek in den vorm, bijv. omdat formaliteiten, bij de wet voorgeschreven, niet zijn in acht genomen.

Zoo zou een reden van verzet kunnen zijn, dat het dwangbevel niet is executoir verklaard door den Kantonrechter, alsmede dat het beslag is gelegd door een onbevoegden deurwaarder. Zie art. 95 W. v. B. R. en art. 20 hierna.

Eveneens zal het verzet ontvankelijk zijn, indien goederen zijn in beslag genomen, die volgens de bepalingen der wet niet voor beslag vatbaar zijn. Verg. aant. 15.

21'. Onder „Ontvanger, die de betaling vervolgt," moet worden verstaan de Ontvanger, die het dwangbevel heeft uitgevaardigd.

Het verzet kan worden beteekend aan de gekozene woonplaats, dus c.q. ten kantore van den Ontvanger, die voor de tenuitvoerlegging van het dwangbevel zorgt. Zie § 74 der instructie, opgenomen onder art. 14. Verg. mede art. 439 W. v. B. R., laatste lid.

28. Het verzet tegen een door den Gemeenteontvanger afgegeven dwangbevel en het uit kracht daarvan gelegd beslag, is terecht gericht tegen dien ambtenaar en niet tegen de gemeente. Vonnis van de Arr. Rechtbank te Roermond van 12 Dec. 1901, W. v. h. R. no. 7735; zie Fiscus no. 698.

29. De beteekening van het verzet moet mede geschieden aan den bewaarder, onverschillig of degeen, te wiens laste het beslag is gelegd tot bewaarder is aangesteld of een ander. Vonnis van de Arr. Rechtbank te Amsterdam van 7 Maart 1882.

30. Vroeger kende de wet summiere behandeling en gewone behande-

Die onderscheiding is vervallen krachtens art. 125 der wet van 7 Juli 1896, S. no. 103; zie Weekblad no. 1508.

31. De woorden „met begrooting der kosten" werden ingevoegd op verzoek der Tweede Kamer, omdat de belastingschuldige anders niet zou weten, hoeveel hij moet consigneeren. Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1844/45, blzz. 890 en 891.

Een dergelijke bepaling ontbreekt in art. 42 der Wet op de Vermogensbelasting; verg. aant. 3. -

Volgens die wet behoeft consignatie der belasting en kosten dan ook niet aan hooger beroep of cassatie vooraf te gaan.

32. Wanneer de Rechtbank zich ambtshalve onbevoegd heeft verklaard om van een verzet kennis te nemen en daarover uitspraak te doen, omdat het verzet gericht was tegen de wettigheid van den aanslag, en de belastingschuldige tegen dat vonnis in hooger beroep wenscht te gaan, is het niet noodig vooraf de belasting met de kosten te consigneeren.

Dit is alleen voorgeschreven, wanneer het verzet is afgewezen. Arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 Dec. 1889; zie Fiscus no. 67.

Sluiten