Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

154

Wet, Art. 16.

91. Bij een Vonnis van de Arr. Rechtbank te Amsterdam van 11 Nov. 1908 werd beslist, dat een papegaai en een kanarie niet geacht kunnen worden te dienen tot stoffeering van het gehuurde perceel, in den zin van art. 1186 B. W. Zie Weekblad no. 1964.

98. Tot de roerende goederen tot bebouwing of gebruik van het land behooren landbouwgereedschappen, paarden en, men zou wel kunnen zeggen, de geheele veestapel. Want dit alles wordt toch gehouden tot bebouwing of gebruik van het land.

Hierbij dient opgemerkt, dat de mestvaalt, tot bemesting der landerijen bestemd, als onroerend goed wordt beschouwd, evenzoo de duiven, tot een duivenvlucht behoorende, enz., en in het algemeen, alle zoodanige voorwerpen, welke de eigenaar tot een blijvend gebruik aan zijn onroerende goederen verbonden heeft. Verg. art. 563 B. W., in aant. 13, lett. B, op art. 14.

De paarden van een landbouwend persoon zijn dus onder de derde zinsnede van art. 16 begrepen, doch de paarden van een rentenier of koopman, kunnen door derden, indien zij daarop recht mochten hebben, worden teruggevorderd. Fiscus no. 649.

99. Een terugvordering hebbende plaats gehad van goederen, ten laste eens schatphchtigen in beslag genomen, door de behuwdmoeder diens schatplichtigen, welke, als huurster der woning, beweerde, dat die goederen zich op haar bodem bevonden, is die terugvordering, op de vertooning van een huurcontract, door den Commissaris der Koningin in een der provinciën toegewezen. Daar echter dat huurcontract niet was geregistreerd, en volgens art. 1917 B. W.een onderhandsche akte, ten aanzien harer dagteekening, tegen derden geen kracht heeft, dan van den dag af harer registratie, had het bezwaarschrift moeten worden afgewezen. Res. van 27 April 1847, no. 170.

30. Door den Commissaris der Koningin in een der provinciën opgeheven zijnde het beslag, gelegd op de roerende goederen van A., wegens achterstallige personeele belasting en patentrecht, is daarop te kennen gegeven, dat het bezwaar, door B. tegen de inbeslagneming ingebracht, als daaruit ontleend, dat het meerendeel der goederen door hem aan A. in bruikleen was gegeven, door de slotbepaling van art. 16 verviel, en dat, wat betreft de omstandigheid, dat B. het gedeelte der woning van.A., waarin zich insgelijks in beslag genomen goederen bevonden, met verplichting tot meubileering, van dezen in huur had, het beroep daarop zich evenmin door gedachte wetsbepaling kon staande houden, als kunnende door de aldaar genoemde belastingschuldigen wel geen anderen zijn bedoeld, dan de belastingschuldigen in den zin der wet en derhalve de gebruiker van een perceel of van een afgezonderd perceelsgedeelte daarvan; welke gebruiker des perceels in het onderhavige geval en in weerwil van de onderverhuring, niemand was en bleef dan A. Res. van 17 Aug. 1847, no. 140.

Tegen deze wijze van beschouwing bedenking zijnde ingebracht, is nader te kénnen gegeven, dat, vermits, met betrekking tot de eerste vier grondslagen van het personeel (a), de eigenaar en eerste huurder, in geval van medebewoning en onderverhuring, bij de wet als de gebruiker van het geheele perceel wordt aangemerkt, ofschoon een gedeelte daarvan niet daadwerkelijk gebruikende, de vooropgezette stelling, dat het gebruik bepalen moet, wat door bodem van den belastingschiildige zij te verstaan, althans wat de belasting op het personeel aangaat, tot dezelfde beschouwing leidt, die in gedachte resolutie ontwikkeld is en .reeds in die van 13 Febr. 1846, no. 157 (b), was kenbaar gemaakt; terwijl, wat be-

Sluiten