Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

160

Wet, Artt. 16—17; Instructie, § 84.

46. Het beslag wordt in het hier bedoelde geval dus bij exploot opgeheven.

Verg. § 68 der instructie, opgenomen onder art. 14. Voor het exploot worden evenwel geen kosten berekend. Zie de vorige aanteekening.

41. Verg. aant. 45 op art. 15.

Art. 17 (1—3). Alvorens tot de uitvaardiging van dwangbevelen tegen achterlijke belastingschuldigen over te gaan, kan de ontvanger, op daartoe bekomen machtiging van den kantonrechter, den nalatige, mits hem daarvan ten minste 24 uren te voren schriftelijk kennis gevende, door inlegering tot betaling dwingen, en hem te dien einde een krijgsman zenden, voorzien van een bevel tot inlegering, hetwelk door den ontvanger uitgevaardigd en door het hoofd van het plaatselijk bestuur voor gezien geteekend wordt. In de aanvrage ter bekoming van deze machtiging, worden vermeld de persoon of personen bij wie de inlegering zal plaats hebben, met opgave hunner woonplaats.

De machtiging mag niet worden geweigerd dan om zeer gewichtige redenen, welke door den kantonrechter Worden vermeld op de aanvraag welke aan den ontvanger wordt teruggegeven.

De belastingschuldige is verplicht aan den ingelegerde huisvesting, een nachtleger, voeding en eene plaats aan den gemeenen haard te geven, benevens vijftig cents daags ; gedeelten van dagen voor geheele gerekend.

De inlegering mag slechts tien volle dagen worden voortgezet. Indien de nalatige binnen dien tijd het gevorderde, met inbegrip der kosten, voldoet, wordt de 'ingelegerde door den ontvanger dadelijk teruggeroepen.

Wanneer de nalatige belastingschuldige weigeren mocht den ingelegerde huisvesting, een nachtleger, voeding of eene plaats aan den gemeenen haard te geven, wordt hij veroordeeld in eene boete van hoogstens f 100, en in eene hechtenis van minstens één dag en ten hoogste zes maanden, voor het geval van wanbetaling.

De ingelegerde vervoegt zich in dat geval bij den commissaris van politie, of, in gemeenten waar geen zoodanig ambtenaar aanwezig is, bij het hoofd van het plaatselijk bestuur, welke ambtenaren, na persoonlijk onderzoek bij den nalatigen belastingschuldige, van die weigering een proces-verbaal opmaken, hetwelk, overeenkomstig de bepalingen van het wetboek van strafvordering, aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie ter vervolging wordt opgezonden.

Dat proces-verbaal levert wettig bewijs op, overeenkomstig de regelen bij het wetboek van strafvordering nopens schriftelijke bescheiden vastgesteld, en de daaruit voortvloeiende vordering verjaart, wanneer de zaak niet is vervolgd binnen den tijd van zes maanden na de dagteekening van het proces-verbaal. Opvolgende betaling van de boete ontslaat van alle verdere hechtenis.

1. Dit artikel is gewijzigd volgens art. 7, vierde lid, der wet van 15 April 1886, S. no. 64, zie V. 1886, no. 69, sub B, en volgens art. 14 der wet van 15 April 1896, S. no. 70 (V. 1896, no. 53).

Verg. de res. V. 1896, no. 54, sub III, tweede lid.

%. De Gemeenteontvanger kan den nalatigen belastingschuldige, alvorens tegen hem een dwangbevel af te geven, door de inlegering van

Sluiten